Psalmen 8

Een Psalm van David, voor de Opperzangemeester, op de Gittith.
O Heere, onze Heere, hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde!
Gij die Uw Majesteit gesteld hebt boven de hemelen.
Uit de mond van kinderen en zuigelingen hebt U sterkte gegrondvest, om Uwer tegenpartijen wil, om de vijand en de wraakgierige te doen ophouden.
Als ik Uw hemel aanzie, het werk Uwer vingers, de maan en de sterren die Gij bereid hebt,
Wat is de mens dat U zijner gedenkt, en de Zoon des mensen dat U hem bezoekt?
En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond?
U doet hem heersen over de werken van Uw handen en U hebt alles onder Zijn voeten gezet. Schapen en ossen, die alle ook mede de dieren van het veld.
Het gevogelte van de hemel en de vissen van de zee. hetgeen de paden van de zee doorwandelt.
O Heere, onze Heere, hoe heerlijk is Uw Naam over de ganse aarde!

Psalm 8 is een loflied, een verheerlijking van de Heere als Schepper. Ze vormt eigenlijk een verwerking van de eerste hoofdstukken van het boek Genesis. Het psalter kan daarom ook getypeerd worden als een scheppingspsalm. Je vind er overeenkomsten met Psalm 19, 29 en 104. Psalm 8 is de eerste lofzang onder de psalmen. Het is de enige psalm die helemaal aan God gericht is.
Het opschrift noemt David als auteur, maar in het refrein vind je de term “ onze Heere” ( vs 2, 10 ) Het is waarschijnlijk dat het hele volk op deze plekken ingesloten wordt, waarschijnlijk heeft de auteur een refrein gemaakt met de bedoeling dat het door iedereen meegezongen zou worden. Het lied is waarschijnlijk `s nachts geschreven, want de dichter heeft het over de maan en de sterren terwijl de zon niet genoemd wordt. Uit deze feiten kun je concluderen dat het om een lied ging dat in de nacht gezongen moest worden. Een logische verdere conclusie is dat het lied geschreven is om gezongen te worden bij viering van een van de grote Joodse feesten, het Pascha bijvoorbeeld. ( Jesaja 30 : 29 )

Psalm 8 begint met een beschrijving van de majesteit en macht van God ( vs 2, 3 ). Daarna volgt er een beschrijving van de nietigheid van de mens. Die wordt centraal gesteld in vergelijking met het schitterende majestueuze heelal. ( vs 4, 5 )
Vervolgens schildert de psalm nu de heerlijke positie van de mens ( vs 6 – 9 ) om af te sluiten met een herhaling van de lofprijzing waarmee de psalm begonnen was. ( vs 10 )

Psalm 8 is een lied dat opgedragen is aan de koorleider. Dit gegeven kun je ook vinden in psalm 4 : 1.
We vinden in de aanhef de term Gittit, een woord waarvan de betekenis niet precies duidelijk is. Je vind deze term terug in psalm 81 en 84.
Hoewel psalm 8 een scheppingspsalm genoemd wordt, begint David met de term JHWH te noemen en niet de naam van de scheppende God die in Genesis 1 gebruikt wordt. Gods Naam is aanwezig en zichtbaar in heel de schepping, speciaal ook in de majesteitelijkheid van de hemel, het heelal.
Het is bijzonder dat de dichter zijn beschrijving van de grootsheid van het heelal op laat volgen door de beschrijving van de nietigheid van kleine kinderen. Zelfs uit de mond van kinderen en zuigelingen heeft God sterkte gegrondvest. Het gebrabbel van kleine kinderen is al een bewijs van Gods scheppingsmacht. Tegenstanders, wraakzuchtige vijanden ( niet alleen van de dichter maar ook van God ) verstommen hierdoor ( vs 3 ). Thematisch gezien komt met deze tegenstellingen naar voren dat het zwakke van God sterker is dan welke aardse macht dan ook. ( vgl 1 Kor. 1 : 27 )

Nadat de dichter het begin van het ontstaan van de aarde beschreven heeft, richt hij zijn blik opnieuw naar de hemel. Het overweldigende heelal is gemaakt door de vingers van God. Meestal gaat het in de Bijbel over Gods arm en macht, maar hier gaat het ook over Zijn vingers, alsof het maar om iets kleins gaat dat Hij maakt. De sterren flonkeren in een adembenemend aantal. Ze zijn door God aan het firnament bevestigd. De Heere kent ze bovendien allemaal bij naam. ( Psalm 147 : 4 )

Hoewel de dichter een duidelijk beeld heeft van de verhoudingen in de schepping zinkt hij niet weg in eigen nietigheid maar hij verwondert zich mateloos. Wie is de mens dat God zo goed zorgt en naar hem omziet? Wat een goedheid straalt deze God uit. De mens is zelfs bijna Goddelijk gemaakt en de Heere heeft hem met eer en heerlijkheid gekroond. Deze mens heeft een erepositie gekregen in de schepping en is naar het beeld van God geschapen. De psalmist legt de nadruk op de menselijke positie als onderkoning van God. In die positie mag hij heersen over de werken van Gods handen. In extase begint de dichter de dieren op te noemen. Hij begint met het kleinvee ( schapen en geiten. ) Dan volgen het grootvee ( runderen ) en de wilde dieren. De vogels van de lucht, de vissen en de dieren die de paden van de zeeën doorkruisen. Al deze dieren kan de mens gebruiken in zijn dienst of voor zijn voeding. David noemde ze per categorie om te laten zien hoe goed de Heere is voor de mens. De dichter sluit de psalm af met dezelfde woorden waarmee hij de psalm begon. De schepping en de positie van de mens leiden tot een voortdurende herhaling van de lofprijzing van de Heere. Door de Goddelijke openbaring weet de mens dat hij een unieke positie in de schepping toegewezen kreeg. Het is helaas een feit dat deze positie is aangetast door de zonde. Maar dat komt in psalm 8 alleen maar door de termen “ vijand “ en “ sterveling “ naar voren. De zonde maakte de heerschappij van de mens over de dieren niet ongedaan, en ook het beeld van God wordt nog steeds genoemd, net zoals dat in Genesis 9 : 1 – 7 het geval is. De psalm concentreert zich helemaal op het heden, dat betekent dat de dichter helemaal vervuld is van de zaken die hij beschrijft.
Het blijkt duidelijk uit deze psalm dat de bijzondere positie van de mens nog steeds van belang is: de mens blijft onderkoning van de Heere en moet verantwoordelijk omgaan met de hele schepping.

In het Nieuwe Testament vind je aspecten uit psalm 8 terug in de situatie van de schriftgeleerden en farizeeën die het kleine kinderen kwalijk nemen dat ze een luid Hosanna roepen voor de Heere Jezus. De schriftgeleerden zijn hier de vijanden die de kleine kinderen het zwijgen op willen leggen. ( Math. 21 : 26 ) De uitspraak uit psalm 8 wordt concreet gemaakt in dit Bijbelgedeelte. “ Uit de mond van kleine kinderen en zuigelingen hebt Gij u sterkte gegrondvest. “
In Hebreeën 2 : 6-9 wordt psalm 8 ook geciteerd, en toegepast op Christus. Hij is gekomen om de vervulling te zijn van de erepositie van de mens en van het koningschap van God.

De benaming “ Zoon des mensen” is terug te vinden in Daniël 7 : 13.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *