Mattheüs 25 : 31 – 45

Toen Jezus naar de aarde kwam verliet Hij alle heerlijkheid die Hij bij Zijn Vader had. Hij werd in uiterst armelijke omstandigheden geboren, en leidde op aarde een armoedig bestaan. Hij werd de mensenkinderen gelijk, zij het dat Hij zondeloos was. Toch was Hij de vleesgeworden rijkdom van Gods erbarming met de mens. Maar God – Die rijk is aan barmhartigheid, heeft ons, vanwege Zijn grote liefde waarmee Hij ons heeft liefgehad, toen ook wij dood waren in de overtredingen levend gemaakt met Christus. ( Ef. 2 : 4 – 5 ) 

Bij Zijn wederkomst zal alles anders zijn. De Mensenzoon komt terug in heerlijkheid. Bekleed met hemelse macht en Majesteit ( Daniël 7 : 14 / Matth. 16 : 27 / 24 : 30 ) 

Terwijl Hij helemaal alleen geboren werd, zal Hij bij Zijn terugkomst vergezeld zijn van legerscharen van engelen. ( Matth. 13 : 41 / 16 : 27 ) 

De engelen die Jezus zullen vergezellen, zullen dezelfde zijn als in Mattheüs 24 : 31, degenen die eerst alle uitverkorenen uit de hele wereld verzameld zullen hebben. ( verg. 2 Thess 1 : 7 / Jud. 1 : 14 ) Er zal een troon op de aarde opgericht worden, waarop Jezus plaats zal nemen. Op deze troon van heerlijkheid zal Jezus regeren ( Matth. 19 : 28 ) en oordelen. ( Openb. 20 : 4 – 6 / 11 : 15 / 22 : 1, 3 ) Jezus is Degene die de heerschappij toebedeeld krijgt van de ‘ Ouden van dagen ‘ ( Daniël 7 : 9 – 10 ) 

Als Jezus komt met macht en luister zal de wereld zoals wij die nu kennen ophouden te bestaan. Dan zal de hele wereld zien dat Hij de schittering is van de heerlijkheid van Zijn Vader. De troon van de genade waarop Hij met Zijn Vader regeerde, zal dan gesloten worden. Jezus zal als Rechter komen, en alle mensen die op dat moment in de wereld leven zullen voor Hem verschijnen. Iedereen moet voor de rechterstoel van Christus geroepen worden om voor altijd van elkaar gescheiden te worden. 

De Mensenzoon zal de mensen van alle volken afscheiden, zoals een herder dat doet. Het oordeel begint met een scheiding, die gevolgd zal worden door een beloning of een veroordeling. ( vs 31, 41, 46 ) De boodschap van de gelijkenis van Mattheüs vertoont parallellen met de voorafgaande gelijkenissen van het visnet, en van de tarwe en het onkruid ( Matth. 13 ) 

Aan de rechterkant van de Koning der koningen zal een plaats van eer worden opgericht. ( Psalm 45 : 10 / Psalm 110 : 1 / 1 Koningen 2 : 19 ), een plaats van beloning. Het is de kant van zegen en geluk. ( verg. Marcus 16 : 5  / Lucas 1 : 11 ) Links is de plaats van het oordeel, van ongeluk. Op dit moment zal het Koninkrijk van God – dat nu nog onzichtbaar is, hoewel aanwezig – volkomen zichtbaar worden. 

Wanneer Jezus begint te spreken, klinkt het in deze context ongewoon dat Hij de mensen ‘ gezegenden van de Vader ‘  noemt. Het wordt begrijpelijk wanneer je bedenkt dat Hij nooit namens Zichzelf sprak, maar altijd namens Zijn Vader. De mensenzoon trad op met het Goddelijk gezag van de Vader. ( Matth. 16 : 27 ) 

Jezus Die alles weet, en aan Wie alles bekend is, zal precies weten wie Hij voor Zich heeft. Hij zal de mensen die zich hier op aarde hebben laten heiligen erkennen als de gezegenden des Heeren. Omdat Jezus hen ‘ gezegenden ‘ noemen zal, zullen ze dat ook werkelijk zijn. Hoewel hier op aarde vaak gesmaad en vervloekt, zullen ze door God gezegend zijn. Wie hier op aarde het kruis achter Jezus heeft gedragen, zal in de hemel vriendelijk en liefdevol genodigd worden om voor eeuwig met God te zijn. Zulke mensen mogen met vrijmoedigheid naar de troon van heerlijkheid komen. 

Van het Koninkrijk wordt gezegd dat het al van eeuwigheid af voor hen bestemd was. Zekerder konden de beloften van God niet zijn. Het gaat om een volmaakt leven, in een volmaakte wereld, het Koninkrijk van God. Na dit hartelijke welkom zal de Koning verder gaan. Hij zal bespreken waarom de mensen die aan Zijn rechterhand staan, gezegend zijn, en waarom ze het Koninkrijk zullen ontvangen. De Koning zegt dat ze goede werken hebben verricht ten gunste van de Koning. Ze hebben de Mensenzoon huisvesting geboden, en Hem te eten en te drinken gegeven toen Hij hongerig en dorstig was. Ze namen Hem op in hun familie toen Hij een vreemdeling was. Gastvrij zijn tegenover vreemdelingen was één van de belangrijkste uitingen van liefde, en een vereiste voor dienaren van de vroege kerk. ( zie Rom. 12 : 13 / 1 Tim. 3 : 2 / 5 : 10 / Titus 1 : 8 / Hebr. 13 : 2 / 1 Petrus 4 : 9 ) Het zal blijken dat de Koning het feit dat de daden van Zijn geheiligde mensen voor Hem zullen zijn verricht. 

Ademloos en zonder tegenspraak zal iedereen daar staan, en luisteren naar wat de Koning te zeggen heeft. Niemand zal weten om wie het eigenlijk zal gaan. De mensen aan de rechterkant van God zullen de Mensenzoon gekleed hebben toen Hij naakt was, naar Hem omgekeken hebben toen Hij ziek was, en Hem opgezocht hebben toen Hij in de gevangenis zat. Aandacht en zorg voor zieken hoorde tot het hart van Jezus` bediening. 

Aandacht en zorg voor gevangenen was tevens van essentieel belang, want zij waren in de oudheid voor voedsel en persoonlijke zorg totaal afhankelijk van familieleden of vrienden. 

Je vindt deze aandachtspunten ( zorg voor zieken )  terug in het Oude Testament. Denk maar aan de vrienden van Job die hem kwamen beklagen toen de Heere de satan toeliet om alles van hem af te nemen. ( Job 2 : 11) Nu valt er op de barmhartigheid van de vrienden van Job nog wel wat aan te merken ( Job 6 : 1, 2 ) 

Maar de gelovigen die door de Heere als gezegenden worden aangemerkt zullen een heel andere attitude hebben. Het zijn mensen die er helemaal geen erg in hebben gehad dat ze iets voor de Koning deden. Verbaasd vragen ze wanneer dat dan was dat ze Hem hongerig of dorstig, naakt of in de gevangenis zagen. Daarom onthult Jezus hen wat ze zelf niet wisten. ( vs 40 ) De norm voor het oordeel is dus wat er gedaan is voor de Koning aan andere mensen. Wie de tekst aandachtig leest, komt tot het inzicht dat de woorden van Jezus niet gericht zijn tot de christelijke gemeente in de eerste plaats, maar tot alle volken. Zij staan immers allemaal voor Zijn rechterstoel om Zijn woorden en het oordeel aan te horen en mee te beleven. Het wordt duidelijk dat de mensen niet gerechtvaardigd worden door wat ze deden, maar voor Wie ze het deden. Het gaat in essentie om hun relatie met de Persoon van Jezus Christus. Maar onder al die mensen bevinden zich ook de gelovigen, de gemeenteleden. En ook zij zullen op exact dezelfde manier beoordeeld worden. Het beleefde geloof zal de doorslag geven. ( Matth. 10 : 32 – 33 / 7 : 21 / 24 : 13 / Gal. 5 : 6 ) 

Mattheüs 25 : 40 is het hart van de uitspraak van Jezus. De Koning geeft de rechtvaardigen antwoord op hun vraag. Hij begint Zijn antwoord met: ‘ Amen zeg Ik jullie’ Dat betekent zoveel als : ‘ Mijn antwoord is absoluut waar en zeker ‘ . Het wordt wel duidelijk dat Jezus met deze woorden het belang van Zijn uitspraak benadrukt. 

Jezus heeft het over Zijn broeders wanneer Hij het over ‘ één van deze minsten ‘ heeft. Hij bedoelt er Zijn leerlingen, discipelen, zijn geestelijke broers en zussen mee, want het zijn mensen die aan Zijn rechterhand gepositioneerd zijn. 

Het gaat erover hoe de mensen die tot de volkeren behoren Zijn volgelingen behandeld hebben toen ze met het Evangelie door de wereld trokken. ( Matth. 24 : 14 ) Voor elke leerling van Jezus vormen deze woorden een grote troost. Het blijkt uit dit schriftgedeelte hoe waardevol ze zijn in de ogen van God. 

Zo troostvol als de woorden van de Rechter voor de gelovigen zijn, zo onheilspellend klinken ze voor mensen die onrechtvaardig zijn geweest in hun handelen en denken. Ze moeten weg van Jezus. Ze mogen niet langer in Zijn tegenwoordigheid blijven, en worden naar het vuur verwezen. Een staat van eindeloze ellende. Ze waren onbarmhartig en ongenadig voor hun medemensen in nood.Goddeloze mensen wacht verderf, vuur, een eeuwige dood. 

Daarom is het zo belangrijk dat wij zo vroeg mogelijk in ons leven stilstaan bij dit grote verschil. In de hemel is leven en licht, en gelukzaligheid. Er is geen dood om een einde aan het leven te maken, geen ouderdom, ziekte of pijn. In de hemel zal alles weer volkomen en volmaakt zijn.

Met dit gedeelte heeft Jezus ons leven en dood, goed en kwaad, zegen en vloek voorgesteld. De weg die iemand kiest zal zijn einde zijn. 

 

 

One response to “Mattheüs 25 : 31 – 45

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *