Johannes 8 : 30 – 59

Johannes 8 : 30 – 59 

Toen zei Jezus tegen hen: pas als jullie Mij aan het kruis gehangen hebben, zullen jullie begrijpen dat Ik de Mensenzoon ben. En dat ik niets uit Mezelf gedaan heb. Want Ik vertel jullie wat de Vader Mij geleerd heeft. De Vader die Mij gestuurd heeft, is bij Mij. Hij laat me nooit alleen, omdat Ik altijd doe wat Hij wil. ( vs 28 ) 

Uit bovenstaande opmerking van Johannes blijkt dat het voorafgaande gesprek afgelopen was. Johannes noemt een reactie van de mensen die toegehoord hadden: velen kwamen tot het geloof in Jezus. Zijn spreken maakte diepe indruk, en bracht veel instemmende reacties teweeg. ( vgl. Joh. 7 : 46 ) Dit lijkt een positieve opmerking, maar je moet het toch met enig voorbehoud opvatten. Jezus deed dat ook, getuige de bovenstaande uitspraak uit vers 28. 

Johannes had in zijn evangelie al meerdere malen duidelijk gemaakt dat er onderscheid in het geloven in Jezus gemaakt moet worden. Er is geloven in de zin van: een diepe overtuiging hebben waarbij sprake is van een blijvende persoonlijke verbondenheid met de Heere Jezus en het worden van een discipel van Jezus ( vgl Joh. 1 : 12 / 3 : 16 / 5 : 24 ? 6 : 30 ), maar ook wordt geloven gebruikt in de zin van een verstandelijk erkennen. Dit geloven kan leiden tot een oppervlakkig enthousiasme, dat later niet echt of blijvend blijkt te zijn. ( vgl. Joh. 2 : 23 – 25 / 6 : 66 ) De Heere Jezus wist van ieder mens hoe zijn of haar geloof was. ( zie Joh. 2 : 25 / 6 : 64 ) Dit gegeven verklaart dan ook Zijn reactie in de volgende verzen: de echtheid en de diepgang van het geloof van de toehoorders zou moeten blijken. 

Het feit dat er veel toehoorders in Jezus gingen geloven, riep bij Jezus een reactie op. Zijn reactie wees op de noodzaak dat hun geloof volhardend moest zijn, om echt te zijn. Jezus sprak in het bijzonder de Joden die in Hem geloofden aan. Dat waren de Joodse leiders die geloof waren gaan hechten aan Jezus` woorden. Jezus wees hen erop dat echt geloof niet de reactie van een moment moest zijn, maar gekenmerkt moest worden door een blijven in Zijn Woord, anders was het maar een twijfelachtig geloof. 

Blijven in Jezus` woord hield in: Zijn woorden blijven erkennen als waarheid. Hem blijvend als Messias aanvaarden. Kracht blijven putten uit Zijn woorden voor volhardende geestelijke groei, en volharden in gehoorzaamheid aan Zijn woorden. Wie zo blijft in Jezus` woorden is waarlijk een discipel van Hem en kan met recht een volgeling van Jezus genoemd worden. ( vgl. Joh. 13 : 35 / 15 : 8 ) Het gevolg van het blijven in Jezus`woord is dat je de ‘ waarheid ‘ zult kennen. Dat betekent: inzicht hebben in, en tegelijkertijd handelen overeenkomstig dat inzicht. De waarheid is: de ware kennis van God als levensovertuiging, en van daaruit levensverandering. Dit gegeven vormt het hart van het evangelie van Johannes, het komt maar liefst 24 keer voor in het boek Johannes, tegen 7 keer in de andere Evangeliën. 

Het kennen van de waarheid zorgt er vervolgens voor dat de waarheid je vrijmaakt. Dit vrijmaken betekent een vrijmaken van de zonde, een bevrijding door de Zoon, door Hem die Zelf de waarheid is. Deze vrijmaking is dan ook een geschenk van boven, dat ons hele leven doortrekt. Dit was de verklaring van Jezus tegenover de beweringen van de farizeeën. 

De Joden konden dit antwoord van de Meester absoluut niet waarderen. Ze beriepen zich op hun afstamming van Abraham. Bovendien begrepen ze niet waarom ze vrijgemaakt moesten worden, ze waren nooit iemands slaaf geweest. Helaas gingen ze voorbij aan de opmerking van Jezus om in Zijn Woord te blijven. Ze waren overtuigd van het feit dat ze geestelijk volkomen op koers zaten. 

 

Jezus maakte de Joden duidelijk dat ze in geestelijk opzicht slaven waren. Hij zei zelfs dat niet God, maar de satan hun geestelijke vader was. Jezus benadrukte de waarheid van Zijn woorden door te verklaren dat de zonde als heerser in het hart, de mens tot slaaf maakt. Het ging Jezus hier niet om specifieke zonden, maar om de zonde in het algemeen. Mensen die slaaf zijn van de zonde, zullen het eeuwige leven van God niet beërven. Zoals een slaaf het recht mist om in het huis van zijn meester te blijven mist een slaaf van de zonde het recht om voor eeuwig bij God te mogen blijven. De Zoon van
God – Jezus alleen –  heeft dat recht. 

Nadat Jezus dit uitgelegd had, maakte Hij de stap van het beeld van vers 35 naar de werkelijke situatie. Er was hoop, slaven konden vrijgemaakt worden. Iemand die de zoon is, heeft als erfgenaam het recht om slaven de vrijheid te schenken. Hij is degene die vrijheid kan schenken. Jezus had al verklaard dat Zijn woord de weg naar de vrijheid was. ( vs 31 ). Daarmee moest het voor de Joden dan ook duidelijk zijn dat Hij met de Zoon Zichzelf bedoelde. Hij was Degene die als Zoon de vrijheid kon schenken. ( Gal. 5 : 1 ), en hun zelfs het zoonschap geven kon. ( vgl Rom. 8 : 15 / Gal. 4 : 1 – 7 ) 

Niet eerder dan op het moment dat Jezus als de Zoon van God iemand vrijmaakt van zonde, zal zo iemand waarlijk vrij zijn. Jezus toonde aan dat zijn toehoorders in werkelijkheid niet vrij waren, ook al waren ze zelf een andere mening toegedaan. ( vs 33 ) 

Terwijl de Joden aan kwamen dragen met het gegeven dat zij zonen van Abraham waren, toonde Jezus aan dat zij eigenlijk dat voorrecht niet hadden. De Joden haatten Jezus, en zochten naar een gelegenheid om Hem te doden. Dat zou Abraham nooit doen, hij was een rechtvaardige voor God. De moordlust en plannen in het hart van de farizeeën toonden duidelijk aan dat zij helemaal geen rechtvaardigen waren. Ze zouden eigenlijk Jezus als Zoon van Abraham en als Zoon van God lief moeten hebben. De reden dat de Joden zich zo vijandig tegen Jezus opstelden was, dat Zijn woord geen plaats in hen vond, geen ruimte kreeg. Welbewust sloten zij hun hart voor Jezus. 

Nu gaf Jezus scherp de tegenstelling aan tussen Hemzelf en de Joden. Als Zoon sprak Jezus over datgene wat Hij Zelf bij hen gezien had. Hij doelde hiermee op de tijd vóór Zijn menswording, toen Hij nog bij de Vader was. Alle woorden en daden van Jezus waren met elkaar in overeenstemming en wezen heen naar Zijn afkomst. 

Hetzelfde gold voor de Joden. Ook zij handelden overeenkomstig wat ze gehoord en gezien hadden van hun vader. Met deze woorden gaf Jezus duidelijk het verschil aan. De afkeer en moordlust van de Joden kwam niet uit God maar uit de satan voort. Ze toonden met hun houding duidelijk aan dat ze geen nageslacht van Abraham waren. Jezus zei nog niet ronduit wie zij dan wel waren. 

De Joodse leiders begrepen Jezus` woorden heel goed, maar wilden ze niet ter harte nemen. Maar Jezus hield aan Zijn argumentatie vast, en ging nog een stap verder door aan te tonen dat de Joden niet alleen niet deden wat Abraham wel deed, maar ook dat zij deden wat Abraham niet deed: moordplannen beramen. De weigering van de Joden betekende ook een weigering aan God Zelf. Het hele verhaal komt hierop neer dat de Joden bij hun weigering bleven om Jezus te erkennen als de Zoon van God. 

Jezus verklaarde steeds meer over Zijn Vader. Hij zei dat Hij Hem van dichtbij kende, en Zijn boodschap doorgaf. Bovendien verklaarde Jezus dat Abraham zich verheugd had in Zijn komst, maar dat de Joden daar niets van hadden. Na deze woorden bleek eens te meer dat het de farizeeën aan elk profetisch inzicht ontbrak. Ze namen de uitspraken van Jezus letterlijk en spotten met Hem. Ze zeiden: ‘ hoe is het mogelijk dat iemand die nog geen vijftig jaar oud is, Abraham heeft gezien? 

Met wat Jezus over zichzelf zei, duidde Hij Zijn Goddelijkheid aan. ‘ Voor het worden van Abraham was Ik. ‘ zei Hij eenvoudigweg. Jezus was verheven boven de tijd, eeuwig, en Goddelijk. Dit is in de lijn van Jesaja 53 : 8 waar staat: ‘ wie zal Zijn afkomst verhalen? ‘ en van Hebr. 13 : 8 ‘ Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid. ‘ ( psalm 90 ; 2 ) Jezus is meer dan Abraham. Jezus is, Abraham werd.  

Op dat punt gekomen, konden de Joden het niet langer aanhoren. Ze barsten uit in woede en namen stenen op om Hem te doden. Maar Jezus verborg zich en ging de tempel uit, want Zijn stervensuur was nog niet gekomen. Met dit gesprek en dit gebeuren was de situatie rondom de Zoon van God tot een climax gekomen. De Joden lieten Jezus zwijgend gaan. Zo ontging hen de kans om voor eeuwig gelukkig te worden.

En wat doen wij? 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *