Het leven van Jozef ( 9 )

Genesis 43 

“ Laad de zakken van deze mannen vol met graan. Leg het geld dat ze betaald hebben bovenop en vul de rest van de voorraad aan met proviand voor onderweg.” zei Jozef tegen zijn dienaren. Nietsvermoedend vingen de broers de terugweg naar Kanaän aan. Toen ze voor hun eerste overnachting stopten, opende één van de broers een zak om zijn ezel eten te geven. Hij zette grote ogen op toen hij het geld zag liggen. Direct riep hij zijn broers en vertelde wat er aan de hand was. Ze schrokken vreselijk en zeiden tegen elkaar: “ waarom doet God ons dit aan? “ Bang en onzeker kwamen ze thuis. 

“ De man die het in Egypte voor het zeggen heeft, sprak ons boos toe en beschuldigde ons van spionage. We zeiden dat we eerlijke mensen waren en absoluut geen spionnen waren, nooit geweest ook. We vertelden ons levensverhaal tot in de kleinste details, er zat niets anders op ” zeiden de broers tegen Jakob toen ze thuis kwamen. “ We werden uiterst streng gecontroleerd, en uiteindelijk moesten we beloven dat we Benjamin mee zouden nemen naar Egypte. Eerder laat hij Ruben niet uit de gevangenis. “ Jakob was sprakeloos. De algehele ontreddering werd nog groter toen de broers hun zakken openden en het geld vonden. Hysterisch riep Jakob: “ Jullie pakken mij al mijn kinderen af! Jozef leeft niet meer, en Simeon is verdwenen. Nu willen jullie Benjamin ook nog hebben om hem te laten verdwijnen. Het wordt steeds erger! “ Daar kon niemand iets tegenin brengen, ze waren ervan overtuigd dat sinds de verdwijning van Jozef alles anders geworden was. 

Ruben zei: “  Vader, geef Benjamin maar met mij mee. Ik zal ervoor zorgen dat hij bij u terugkomt. Zo niet, dan mag u mijn twee zonen doden. “ Alsof Jakob er baat bij zou hebben, of getroost zou worden door nog meer doden. “ Benjamin blijft hier. Zijn broer is dood, ik heb alleen hem nog maar. Ik ben al oud, als er hem iets overkomt dan wordt dat mijn einde.” schreeuwde Jakob wanhopig.

De hongersnood hield aan. Er groeide niets op het land en het koren slinkte onrustbarend snel. Iedereen wist dat ze om te overleven terug moesten naar Egypte. Jakob begon er zelf over. Juda zei: “ we kunnen alleen terug als we Benjamin meekrijgen. Anders hebben we geen schijn van kans om koren te kunnen kopen. “ Opnieuw begon Jakob op zijn zonen te foeteren. Hoewel hij precies wist hoe alles in zijn werk gegaan was brak zijn frustratie en verdriet opnieuw de schijnbare kalmte die zich voorgedaan had. De broers oreerden en Jakob oreerde, en tenslotte zeiden ze tegen elkaar dat ze al twee keer heen en terug naar Egypte hadden kunnen reizen als ze niet zoveel geredetwist hadden. 

Tenslotte zei Jakob: “ Ga dan maar. Neem wel geschenken mee! Olie, kruiden, honing en noten om aan die man te geven. Neem dubbel geld mee, je weet maar nooit of het om een fout van de knechten van de farao ging. En zo vertrokken ze met Benjamin naar Egypte. 

Daar aangekomen werden ze direct naar het paleis van Jozef gebracht. Een ongerust gevoel bekroop hen. Zenuwachtig vertelden ze de hofmeester over het geld dat ze gevonden hadden. “ Wees niet ongerust mannen “ antwoordde de hofmeester. Uw God – de God van uw vader Jakob – moet een schat in uw voederzakken gelegd hebben, want ik heb uw geld ontvangen. “ Sprakeloos keken de broers elkaar even aan. Toen werd Simeon uit de gevangenis opgehaald en werden de broers met z’n allen in Jozefs paleis gebracht. Ze kregen water om zich op te frissen en voeder voor hun ezels. Ze stalden de geschenken uit hun vaderland zo voordelig mogelijk uit zodat het echte blikvangers waren. Toen Jozef arriveerde boden ze de geschenken aan, terwijl ze zich diep voor hem neerbogen. 

“ Hoe gaat het met jullie oude vader, leeft hij nog? “ was het eerste dat Jozef vroeg. “ Absoluut, het gaat prima met hem! “ antwoordden de broers terwijl ze zich opnieuw voor Jozef neerbogen. Zo gingen de dromen van vroeger in vervulling, maar niemand dacht eraan of had het erover. 

Plotseling viel Jozefs oog op Benjamin. “ Is dat de jongste, waar jullie mij over verteld hebben? “ vroeg hij. Hij kon zijn tranen niet bedwingen en moest het vertrek verlaten omdat hij in tranen uitbarstte. Het was nog te vroeg, de broers mochten nog niet weten wie hij was. Toen hij zich weer kon beheersen ging hij terug en liet de maaltijd opdienen. Jozef had zijn eigen tafel, de Egyptenaren hadden hun eigen tafel, en de broers hadden hun eigen tafel. Egyptenaren hadden totaal andere tafelgewoonten en minachtten de herderscultuur van de Hebreeërs, ze zouden geen hap door hun keel kunnen krijgen met die schapenhoeders erbij. 

Tot verbazing van de broers werden ze aan de tafel recht tegenover die van Jozef geplaatst. Ze zaten op volgorde van leeftijd, ook al zoiets wonderlijks. De maaltijd was overvloedig en bevatte dezelfde gerechten als die van de koninklijke tafel. Een ontspannen sfeer maakte zich van de broers meester. Hun zorgen en angsten waren voorbij en ze aten hun brood met vreugde. Het bevreemdde hun wel dat Benjamin bij elke gang vijf keer zoveel kreeg als de anderen. Maar dat mocht de pret niet drukken. Ze dronken ook wijn, samen met Jozef en ze werden allemaal dronken. Alles leek goedgekomen! De edelmoedigheid van Jozef schitterde door deze attitude heen. Hij had iedereen om het leven kunnen brengen, maar hij deed het niet. Hierdoor was hij een afschaduwing van het karakter van de Heere Jezus, die niets liever deed dan Zijn leven doorbrengen met de mensen die Hij redden wilde. 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *