Het leven van Jozef ( 8 )

Genesis 42 : 1 – 24 

Er braken zeven goede jaren aan.Het land gaf elk jaar een overvloedige oogst. Jozef zorgde ervoor dat alles verzameld werd, en er geen strohalm verloren ging. Elke Egyptische stad kreeg zijn eigen graansilo`s waarin het koren van de daaromheen liggende akkers opgeslagen werd. Sikkels klonken, ruisend viel het graan. Het land gaf zo`n  overvloed dat het graan zo overvloedig als zandkorrels werd. Er was zo`n grote hoeveelheid dat niemand de cijfers en berekeningen nog bij kon houden. De Heere zegende het huwelijk van Jozef met de geboorte van twee zonen, Manasse en Efraïm. Manasse betekent “ doen vergeten “ en Efraïm: “bijzonder vruchtbaar”. Jozef zei “ Ik ben al mijn verdriet vergeten en ik mis mijn familie niet langer. God heeft mij kinderen gegeven in dit land, waar ik eerst zo ongelukkig was. “ 

Jozef bleek nauwgezet en ijverig in het uitvoeren van zijn opdracht. Hij bleef nauwgezet en ijverig toen de zeven jaren van hongersnood aanbraken. In het achtste jaar van zijn regering verging de hele graanoogst. De inwoners van Egypte klopten bij de farao aan. Hij stuurde hen naar zijn schatbewaarder, Jozef. Die stelde zonder twijfel met wijsheid en rechtvaardigheid de prijs van het koren vast, zodat het volk niet onderdrukt of uitgebuit werd en er geen voordeel getrokken werd uit de heersende nood. Het hele land werd zwaar getroffen door de honger. Maar bij elke stad stonden grote graansilo`s, en Jozef verkocht dat aan de mensen. 

De heersende honger breidde zich uit tot alle omliggende landen. Van heinde en ver kwamen de mensen naar Egypte om graan te kopen.Ook Kanaän werd door de hongersnood getroffen. Jakob hoorde de berichten vanuit Egypte en zei tegen zijn zonen: “ Zeg mannen, waarom doen jullie niks? Ik heb gehoord dat er in Egypte graan is. Jullie moeten daarheen gaan. Sla een grote voorraad graan in, zodat we niet sterven van de honger. “ 

In het voetspoor van Jozef trokken de mannen naar Egypte. Hun jongste broer Benjamin mocht niet mee. Jakob had zijn liefde voor Jozef op zijn jongste kind geprojecteerd. De stoet van de zonen van Jakob werd aangevuld door veel meer mensen die op weg gingen om brood te kopen. Het is opvallend dat Abraham, Izak en Jakob alle drie de patriarchen, in de beloften die ze van God ontvangen hadden beproefd werden. Het land Kanaän werd toegezegd als een land dat vloeide van melk en honing, maar deze belofte werd door zware hongersnoden weersproken.  

Gelukkig had de Heere voorzien. Toen de deur van overvloed in Kanaän toegesloten werd, opende Hij een deur in Egypte. En zo kwamen de broers in Egypte aan. Ze moesten zich bij de Egyptische onderkoning melden, en bogen zich eerbiedig voor hem neer. Jozef kon zijn ogen niet geloven toen hij zijn broers zag komen. Zijn gedachten tuimelden door zijn hoofd. In een flits zag hij zichzelf zijn dromen vertellen. Het hoongelach van zijn broers, de afwijzing, de hoon, en de spot. De lange jaren in slavernij. Het verdriet, de wanhoop, het gemis. Hij kon het niet helpen dat zijn stem uitschoot. Fel beschuldigde hij de mannen “ Jullie zijn spionnen! Jullie komen kijken waar je Egypte kunt aanvallen! “ 

De broers ontkenden en deden hun uiterste best om de Egyptische leider te overtuigen van het feit dat ze eerlijke mensen waren. Maar Jozef liet zich niet van zijn mening afbrengen. “ Ik geloof er niets van. Jullie komen onze zwakke plekken bekijken om Egypte aan te kunnen vallen.” zei hij. De broers bepleitten zichzelf hartstochtelijk, en vertelden dat ze twaalf broers waren, dat de jongste thuis gebleven was, en dat er één broer niet meer in leven was. Maar de Egyptische leider liet zich niet overtuigen. “ We zullen zien of jullie de waarheid spreken. “ zei hij bars. “ Haal die jongste broer van jullie dan maar op. Wij houden jullie hier vast totdat hij verschenen is, zo zeker als de farao leeft! Er mag één persoon naar huis, alle anderen blijven hier in de gevangenis. Als blijkt dat jullie gelogen hebben zal het voor ons vaststaan dat jullie spionnen zijn. “ 

Een kort bevel, en sterke Egyptische lijfwachten traden op de mannen toe. Niemand kon zich verzetten. Drie dagen lang zaten ze in de donkere gevangenis waar hun broer zoveel bittere tranen vergoten had. Op de derde dag van hun gevangenschap knarsten de deuren open. Een sombere Egyptenaar wachtte hen op, Jozef. “ Als jullie doen wat ik gezegd heb, blijven jullie in leven. Ik houd me aan mijn woord, want ik heb eerbied voor God. Maar er blijft er één in de gevangenis. De anderen mogen vertrekken. Neem graan mee. Komen jullie terug met die jongste broer, dan zal ik jullie geloven en zullen jullie in leven blijven.” Gelaten beloofden de broers dat ze met Benjamin terug zouden komen. Hun geweten klopte als een bezetene in hun keel. “ Dit is onze straf voor alles wat we met onze broer gedaan hebben. “ zeiden ze tegen elkaar. Hij was doodsbang, en smeekte om medelijden. Maar we gaven er niets om. Daarom zitten we nu in de penarie.”  “ Ik heb nog gezegd dat jullie hem niets aan mochten doen, maar jullie luisterden niet. “ zei Ruben. “ Dit is onze straf. “ 

Jozef hoorde elk woord. Het sneed door zijn ziel. Hij moest zich tot het uiterste inhouden om niet in tranen uit te barsten. Met een paar stappen verliet hij het vertrek en huilde onbedaarlijk. Toen hij terugkwam was er uiterlijk niets aan hem te zien. Onaangedaan hervatte hij het gesprek. Hij liet Ruben naar de gevangenis brengen. Verslagen verlieten de broers Egypte. Gods wegen leidden dwars door zonde en dood om het plan ten uitvoer te brengen dat Hij in gedachten had. Niemand kon Zijn besluiten veranderen. Niemand kon ze begrijpen. Het was de souvereiniteit van God. 

 

 

 

 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *