Het leven van Jozef ( 11 )

Jozef had het heftige betoog van Juda aangehoord. Nu kon hij zich niet langer inhouden. Hij stuurde alle Egyptenaren de zaal uit. Toen de laatste mannen vertrokken waren begon hij heel hard te huilen. Hij huilde zo hard dat het buiten de zaal te horen was. De dienaren van de farao verbleekten van schrik en verkeerden in dilemma of ze hulp moesten bieden of niet. Zelfs de farao hoorde het in zijn paleis. De ontstelde broers – die de Egyptenaar alleen kenden als Zafnath Paäneah omdat zijn Hebreeuwse naam verloren gegaan was-  hoorden hem roepen dat hij Jozef was. Van schrik konden ze zich niet bewegen en staarden hem doodsbleek aan. “ Ik ben Jozef! herhaalde de man. Leeft mijn vader nog? “ Geen antwoord. Schrik, ontsteltenis. Dit betekende het einde. 

“ Kom toch dichterbij! “ riep de Egyptenaar. Schoorvoetend deden ze wat hij vroeg. Toen ze dichterbij kwamen hoorden ze de man zeggen: “ Ik ben Jozef. Ik ben de broer die jullie verkocht hebben. Ik ben achter een kameel naar Egypte gesleurd. Maar wees niet bang, en wees niet boos op jezelf dat jullie mij verkocht hebben. Jahweh heeft mij hierheen gestuurd. Zijn Goddelijk plan heeft ervoor gezorgd dat jullie leven gered kon worden. ” 

Hoewel de broers een grote misdaad begaan hadden, bleken ze oprecht boetvaardig te zijn.  Nu zou God hen laten zien dat Hij geen God was om bang voor te zijn, maar een God van liefde en trouw. Het volk van Israël bleef onder de bijzondere zorg van Zijn voorzienigheid. ( psalm 91 )  Gods voorzienigheid kijkt altijd vooruit en heeft een ver bereik. Hoewel de hongersnood en alle gebeurtenissen rondom Jozef en de broers chaotische taferelen schiepen, werd het plan van God precies zo uitgewerkt als Hij voor ogen had. 

“ Er heerst nu al twee jaar hongersnood” zei Jozef. “ En er zal nog vijf jaar geen koren op het land groeien. Dat is de reden dat Jahweh mij al eerder dan jullie naar Egypte gestuurd heeft. Nu kan ik ervoor zorgen dat jullie in leven blijven. De Heere, mijn God wil veel mensen in leven houden. Door Zijn souvereiniteit ben ik de belangrijkste raadgever van de farao geworden. Ik heb de leiding over het paleis en over heel Egypte. Ga terug naar onze vader. Vertel hem alles. Hij moet zo snel mogelijk hierheen komen. Ik heb het gebied Gosen voor hem gereserveerd. Dat is hier vlakbij. Er is ruimte genoeg voor alle kinderen, kleinkinderen,  de schapen, geiten, en alles wat onze vader tot bezit heeft. In de vijf jaren van hongersnood zal ik voor hem zorgen. Hij zal het goed hebben, met de hele familie en alle dieren incluis. 

De broers bleven doodstil. Wat moesten ze doen? Ze waren nog steeds sprakeloos. “ Jullie herkennen mij toch wel? Benjamin, jij ziet het toch ook? Vertel hem alles wat jullie  gezien hebben en breng onze vader zo gauw mogelijk hierheen! “ Jozef snelde op zijn broer Benjamin toe. Hij omhelsde hem. Ze huilden allebei van blijdschap. Jozef omhelsde al zijn broers. Toen pas durfden ze tegen hem te praten. 

De ongeruste hofhouding van de farao ontspande toen ze de reden van Jozefs emoties hoorden. De gedrukte stemming sloeg om in euforie.  De farao liet de ezels van de broers laden en bevestigde de woorden van Jozef. Ze moesten verhuizen en zouden het beste deel van Egypte tot hun beschikking krijgen. 

En zo gebeurde het! Jozef gaf zijn broers ijzeren strijdwagens mee en proviand voor onderweg. Ze kregen nieuwe kleren. Benjamin kreeg er vijf keer zoveel. Hij kreeg bovendien 300 zilverstukken. Jakob kreeg twintig ezels volgeladen met de beste producten van Egypte. Er was ook volop graan en brood voor onderweg. Jozef verzekerde de broers ervan dat ze absoluut niet tegen deze enorme expeditie op hoefden te zien. Jakob was al erg oud. Maar Gods aanwezigheid zou hem kracht geven, en met hem zijn. En Jakob zou zijn geliefde zoon terugzien voor hij stierf. 

Jakob had nooit kunnen denken dat hij nog ooit Kanaän verlaten zou. Maar Gods voorzienigheid had anders beschikt. Het was nu 215 jaar geleden dat de Heere aan Abraham beloofd had om hem tot een grote natie te maken. ( Gen. 12 : 2 ). Toch was zijn familie geslonken en waren er nu nog maar 70 mensen van over. Het leek er niet op dat het een volk zou worden dat talrijker was dan sterren aan de hemel. ( Genesis 15 : 5 ) Toen de broers hun relaas aan hun vader deden geloofde hij hen niet. Dat was geen wonder, want ze hadden jarenlang zijn verdriet om zijn zoon aangezien zonder hem uit het donker en het verdriet te helpen. Maar toen Jakob de wagens zag zei hij: “  Ik weet genoeg! Mijn zoon Jozef leeft nog! Ik wil naar hem toe. Ik wil hem zien, voordat ik sterf! “ Zo zien we de gouden draad van de Godsregering dwars door al het doen en laten van de mensheid heen. 

 

 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *