Het leven van Jozef ( 10 )

Genesis 44 

Een stroom van zegeningen overspoelde de broers. Jozef liet hun voederzakken vullen, gaf opnieuw hun geld terug, en zwaaide ze allemaal vol blijdschap uit. De broers voelden zich opgewekt en gelukkig. Voorlopig konden ze er tegen, en de stemming van de onderkoning was ook helemaal bijgedraaid. Ze hadden er geen notie van dat er nog veel meer beproevingen op hen te wachten stonden. Jozef gebood zijn huisbewaarder om de mooie zilveren beker  – die hij waarschijnlijk gebruikt had toen hij met hen gedineerd had –  in de opening van de zak van Benjamin te leggen. Dat werd heel bewust gedaan, zodat het zou lijken alsof hij die van de koninklijke tafel gestolen had. 

De contouren van de stad waren nog maar nauwelijks achter hen vervaagd toen de koninklijke lijfwacht hen achterna joeg en tot stoppen dwong. “ Zijn jullie nu helemaal gek geworden? “ riep de lijfwacht van de farao woedend. “ Waarom hebben jullie de koninklijke beker gestolen? Mijn meester drinkt altijd uit die beker. Bovendien kan hij er de toekomst mee voorspellen. Jullie hebben een misdaad begaan! “ 

“ Waar haalt u die onzin vandaan? “ antwoordden de broers. “ Zoiets zouden wij nooit doen. Vorige keer lag ons geld in onze voederzakken. Dat geld hebben we teruggebracht. Waarom zouden wij goud of zilver uit het paleis meenemen? Voer gerust een inspectie uit, en degene die de beker heeft, moet sterven. Bovendien zullen wij uw slaven worden. “ 

Een korte inspectie volgde. De lijfwacht begon bij Simeon en fouilleerde alle broers. De ene zak na de andere werd uitgepluisd, tevergeefs. Tot Benjamin aan de beurt was. De lijfwacht had zijn voederzak nog maar met geopend of het zilver van de koninklijke beker straalde hem al tegemoet. 

De broers werden lijkbleek van schrik. In diepe rouw scheurden ze hun klederen, laadden hun bagage weer op hun ezels en keerden naar het koninklijk paleis terug. Doodongelukkig en ten einde raad vielen ze voor de onderkoning op hun knieën. “ Wat hebben jullie gedaan? “ riep Jozef hen toe. Hij stelde zijn broers tot het uiterste op de proef. Ze hadden nu opnieuw de mogelijkheid om Benjamin achter te laten, zoals ze eens Jozef in de steek hadden gelaten. 

“ Beseffen jullie niet dat een man zoals ik kan zien wat voor anderen verborgen is? “  raasde de onderkoning verder. Dat maakte de hele situatie nog erger. Als dat zo was, dan zou hij ongetwijfeld weten wat ze met Jozef gedaan hadden. 

Juda deed zijn mond open en zei: “  Wat kunnen wij u hierop antwoorden heer? Hoe kunnen we ons vrijpleiten? God heeft de misdaad van uw dienaren aan het licht gebracht. We zullen uw slaven worden, niet alleen Benjamin, maar wij ook. “ “ Geen denken aan! “ antwoordde Jozef, ik moet alleen de schuldige hebben, de rest kan in vrede naar huis gaan. “ 

Maar Juda nam de belofte aan zijn vader gedaan serieus. Eens had hij het voorstel gedaan om Jozef als slaaf te verkopen, nu nam hij het voor Benjamin op. De tijd en de ellende die hij bij zijn vader gezien had, hadden zijn hart veranderd. “ Neemt u mij niet kwalijk, u bent zo machtig als de farao, maar sta me alstublieft toe om iets te zeggen zonder dat u woedend wordt. U kent ons hele levensverhaal. Als wij zonder Benjamin naar huis teruggaan, dan betekent dat zonder twijfel de dood van onze oude vader. Dat kunnen we niet maken. Onze andere broer is door een wild dier verscheurd. Dat verdriet draagt onze vader nog elke dag met zich mee. Ik heb mijzelf garant gesteld voor Benjamin. Sta mij daarom toe dat ik uw slaaf wordt in plaats van de jongen. Laat hem met zijn broers terugreizen. Ik kan het verdriet van mijn vader echt niet aanzien. 

Veel later, op zijn sterfbed, zou vader Jakob zeggen: ΅ Juda, jij bent het. Jouw zullen je broers loven. ( Genesis 49 : 8 ) Juda stak in moed, wijsheid welsprekendheid en in liefde voor zijn vader torenhoog boven zijn andere broers uit. 

De trouwe aanhankelijkheid van Juda aan Benjamin zou lange tijd na deze gebeurtenis vergoed en gecontinueerd worden door de voortdurende aanhankelijkheid van de stam van Benjamin aan de stam van Juda, in een tijd dat alle andere stammen de stam van Juda in de steek lieten. Nog weer later zou de apostel Paulus opmerken dat de Messias uit de stam van Juda kwam. ( Hebr. 7 : 14 ) Juda pleitte voor zijn andere broers en stelde zich persoonlijk garant. Hier schitterde iets van het karakter van de Heere Jezus Christus!  

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *