Psalmen 62

Een lied van David. Voor de zangleider. Op de wijs van een leid van Jeduthun. Alleen bij God krijg ik rust. Alleen Hij kan mij redden. Bij Hem ben ik veilig. Hij redt mij altijd. Hij beschermt me. Er zal mij geen kwaad overkomen. Hoe lang blijven jullie me nog aanvallen moordenaars? Hoe lang nog bedreigen jullie me met de dood? Ik ben maar alleen. Ik kan me niet verdedigen. Ik ben te zwak om me te verzetten. Jullie willen me doden. Jullie liegen de hele dag. Jullie spreken wel vriendelijke woorden, maar je hart is vol haat. Alleen bij God zoek ik rust Ik verwacht mijn hulp van Hem. Alleen bij Hem ben ik veilig. Hij redt mij altijd. Hij beschermt me. Er zal mij geen kwaad overkomen. De Heer redt mij, geeft me kracht. Bij Hem ben ik veilig, want Hij is machtig. Bij Hem vind ik bescherming. Laten we op God vertrouwen en Hem onze zorgen vertellen. Hij zal ons helpen. Mensen leven maar heel kort. Het maakt niet uit hoe machtig ze zijn. Ze zijn niets waard. Hun leven is zo voorbij. Vertrouw niet op geweld. Denk niet dat stelen voordeel brengt. En als je rijker en rijker wordt, denk dan niet steeds aan je geld. Heer, U bent een machtige God. Dat hebt U zelf gezegd. En ik heb het ook van anderen gehoord. Steeds weer laat U Uw liefde zien. U geeft aan ieder mens wat hij verdient. 

Koning David heeft psalm 62 geschreven in een periode dat hij veel tegenstand ondervond. Overal in zijn leven ervaarde hij moeite en strijd. ( vs 4, 5 ) Terwijl hij zich door emoties verward en overmand voelde, greep hij naar zijn pen en beschreef zijn gevoelens. Hij sprak zijn vertrouwen in God uit tegenover anderen. In het laatste vers van de psalm richtte hij zich rechtstreeks tot God. In de eerste twaalf verzen van psalm 62 lees je over het onwankelbare Godsvertrouwen van David, terwijl hij tegelijkertijd de onzekere toestand van zijn vijanden in het oog houdt. ( vs 4, 10 ) Omdat David zich als een rasechte koning met hart en ziel verantwoordelijk bleef voelen voor het welbevinden van zijn onderdanen, riep hij als een goede leraar of rabbi het volk op om de Heere te dienen, zich op Hem te richten, en geen oren te hebben naar leugens. Dit oproepen tot wijsheid en eerlijkheid kleurt de psalm ongelooflijk mooi in, en maakt het psalter tot  een wijsheidspsalm. 

Psalm 62 begint met twee identieke strofen. De dichter zegt in deze strofen dat zijn ziel zich stil tot God keert, omdat de Heere Zijn rots en bevrijder is. David waarschuwt zijn aandachtige lezers of luisteraars om niet naar goddeloze mensen te luisteren. ( vs 4, 5 ) In de tijd van David was het hofleven vol intriges, en de koning moest zich dag en nacht verweren  tegen allerlei pogingen tot moord en doodslag. Geen wonder dat zijn hart zwaar en onrustig in hem was. Hij had eigenlijk geen leven voor zichzelf en wist niet waar hij het zoeken moest van onrust en ellende. Gelukkig, als een lichtstraal van boven komt de Heere in zijn hart!  Als reactie hierop keert de dichter zich stil tot God, die daadwerkelijk zijn rots, heil, en bevrijder was.  Na deze twee strofen, komt er nog een laatste refrein met een uitwerking die gaat over de betrouwbaarheid van God. ( vs 8 ) Deze strofe maakt het eerste gedeelte van de psalm compleet. 

We weten niet precies wat de omstandigheden waren waaronder de psalm geschreven is. Het is overduidelijk dat de dichter het erg moeilijk heeft. Het leven van koning David was getekend door moeilijkheden, strijd, conflicten en machtsgrepen van mensen die hem naar het leven stonden. Door al deze strijd ontvingen wij de mooie psalmen die het hart van een gelovige tekenen, die in strijd is met de satan, de wereld en het eigen hart. Uit het opschrift boven de psalm wordt duidelijk dat het geschreven lied samengesteld is voor de koorleider. Het moet gezongen en gespeeld worden op de wijze van Jeduthun. Jeduthun was een van de drie voorgangers of kapelmeesters (orkestmeesters), hoofden van de tempelkoren, die op bevel van David uit de drie Levietengeslachten waren benoemd om de gewijde muziekkoren te onderrichten en te leiden. Uit de Kehatieten was Heman uit de Gersonieten Asaf, en uit de Merarieten Ethan  gekozen. Hoogstwaarschijnlijk is deze Ethan dezelfde als Jeduthun. Zijn zes zonen stonden aan het hoofd van onderafdelingen, ieder van 12 zangers. Al deze koren werden door een opperzangmeester geleid.Jeduthun had zes zonen: Gedalja, Zeri, Jesaja, Hasabja, Mattithja en Simeï. Ze worden bijna allemaal in 1 Kron. 25:3 genoemd. 

Het lied begint met de uitspraak van de dichter dat hij zijn ziel stil heeft gemaakt. Hij heeft innerlijke rust gevonden. Hij weet dat zijn verlossing bij de Heere vandaan zal komen. Wat een verschil tussen de rust die David ervaart, en de onrust die bijvoorbeeld in psalm 42 beschreven wordt. Op die plek ervaarde de dichter onrust omdat hij het gevoel had dat de Heere hem verlaten had. De rust die de dichter nu ervaren mag, komt door zijn omgang met God. Hij is helemaal doortrokken van het besef dat het alleen maar door de nabijheid van de Heere mogelijk is dat zijn innerlijke onrust verstomd. Als dat niet zo is, is hij overgeleverd aan wanhoop. David brengt de grote waarde van Gods hulp onder woorden door te verklaren dat Hij Zijn rots en verlossing is. De Heere Zelf is Zijn burcht, en daarom zal hij niet instorten en kan hem eigenlijk niets ergs overkomen. Hoe dan ook, zijn ziel zal altijd veilig zijn bij deze God. De dichter weet niet alleen dat het zo is, hij gelooft en voelt het ook. Je zou kunnen zeggen dat David in een veilige toren zit. Hij voelt zich zo veilig dat hij zich tot zijn vijanden – waar hij eigenlijk doodsbang voor is  – durft te richten. Hij vraagt hen hoe lang ze het nog op hem gemunt zullen hebben. De dichter vergelijkt zichzelf met een wand die door verschillende aanvallen zo aan het hellen is dat de wand bijna dreigt om te vallen of neer te storten. 

David ziet loepzuiver de intensiteit van het gevaar in, het is om zijn leven te doen. Zijn tegenstanders zijn er op uit om hem van zijn door God gegeven plaats te stoten. Ze vinden het prachtig om allerlei gemene streken uit te halen en vinden alles geoorloofd om zijn vernietiging tot stand te brengen. David is moe om zich de hele dag te moeten verdedigen en in de hoogste staat van paraatheid te verkeren. Scherp ziet hij hoe de mensen aan zijn hof, en om hem heen hem naar de mond praten, terwijl ze hem een kwaad hart toedragen. ( vers 5 ) Als David dit allemaal uitgeschreven heeft spreekt hij zichzelf toe. Hij maant zich tot kalmte, omdat zijn hoop op God is gericht. Er volgt een refrein over Gods betrouwbaarheid. 

“ Bij God is mijn redding en eer, mijn machtige Rots, mijn Schuilplaats is God. Vertrouw op Hem mijn volk, te allen tijd. Open voor Hem uw hart, God is onze schuilplaats. “  roept hij uit. Vergeleken bij de Heere zijn de mensenkinderen maar lucht en leegte. David heeft het nu over de mensheid in het algemeen. Deze negatieve omschrijving van de mensheid wil niet zeggen dat God niet van de mensen houdt, of dat Hij geen waarde aan hen toekent. Het gaat hier primair om het contact tussen God en de mens. Vervolgens schildert David een weegschaal, terwijl hij aan de ene kant God, en aan de andere kant de mens op die weegschaal plaatst. De weegschaal vliegt helemaal uit balans, want de mens is lucht in vergelijking met de waarde van de Elohim. David omschrijft de mens met een bedoeling. Hij werkt het beeld verder uit, en zegt: “ Vertrouw niet op de dingen die in de wereld succes voortbrengen. ( vs 11 )Vertrouw nooit op geweld en laat je niet in met roof of diefstal. Zelfs als de Heere je zegent met aardse voorspoed moet je je uiterste best doen om je hart daar niet op te zetten.  

David raakt al schrijvend en denkend helemaal verdiept in het plan van God. Hij wordt steeds enthousiaster en richt zich rechtstreeks tot de Heere terwijl hij zegt dat bij Hem goedheid en goedertierenheid is. ( vs 13 ) Hij is trouw en genadig, Hij laat de weegschaal volkomen doorslaan naar het Goede dat Hij Zelf is! Deze houding van de Heere steekt schril af tot de houding van de mensen om David heen. Die zijn allemaal ik-gericht en oneerlijk. Gelukkig is het niemand anders dan de Heere die een ieder naar zijn werken zal vergelden, en volkomen rechtvaardig zal oordelen. 

Met dit slotvers doet de dichter indirect een oproep tot het volk van Israël om eerlijk en rechtvaardig te handelen. Wanneer ze dat doen, zullen ze door de Heere Zelf worden beloond. Een centraal aspect in deze psalm is de stilte. David heeft het over een innerlijke rust die midden in een geestelijke strijd kan bestaan. Hij roept zijn lezers op om niet gefixeerd te zijn op de zekerheden en machthebbers van deze wereld. Uiteindelijk houden ook zij geen stand, ze hebben geen Goddelijke macht en kracht. Echte kracht is alleen bij de Heere te vinden. 

De rust die David beschrijft heeft niets te maken met een vlucht voor de werkelijkheid. God bestaat echt. Hij zal uiteindelijk elke vijand verslaan. Dat deed Hij voor Israël toen ze in Egypte waren en dat gebeurde hier bij David. De tekst sluit aan op de Nieuwtestamentische overtuiging dat wij door de Heere Jezus Christus als overwinnaar uit de geestelijke strijd zullen komen. Wanneer we lezen over stilte en vertrouwen kunnen we de worsteling ervaren van de onrust die er in ons hart is. David maande zichzelf om daarmee naar de Heere te gaan. ( vs 6 ) Handelen en leven in eigen kracht leidt tot verkramptheid. God geeft rust, ontspanning en moed om door te gaan.

Vanuit deze oproep kun je lijnen trekken naar het Nieuwe Testament. In de gang van ons leven achter Jezus aan leren we steeds beter om al onze hoop en verwachting op Hem te stellen. ( Hebreeën 12 ) Psalm 64 maakt deel uit van een collectie liederen die allemaal het accent op het vertrouwen op de Heere centraal hebben staan. ( Psalm 61 – 64 ) 

 

 

 

Geef een reactie