Psalmen 43

Het is waarschijnlijk dat psalm 43 bij dezelfde gelegenheid geschreven werd als psalm 42 omdat het opschrift ontbreekt. Sinds zijn zalving door Samuël waren er moeilijkheden Davids leven binnengekomen. Hoewel Saul hem eerst hoffelijk behandeld had, waren de bakens verzet. David werd omgeven door een zondige groep mannen die hij een ongoedertieren volk noemde en die hem onder het bevel van Saul dagelijks naar het leven stonden. Er zat voor David niets anders op om van het koninklijke hof vandaan te vluchten. Terwijl hij in ballingschap was verlangde David hevig naar de tempel in Jeruzalem. Jeruzalem en de tempel waren voor hem de personificatie van een Bron van enorme vreugde, het betekende: de levende God ontmoeten. David zag het helemaal niet meer zitten. Hij vroeg zich af waarom de Elohim hem zo ver van het heiligdom verwijderd had. “ Bij u ben ik toch veilig? Waarom mag ik dan niet bij U zijn? Waarom onderdrukken mijn vijanden mij en loop ik in sombere kleren rond? “ zei hij met een retorische vraag. David rouwde erom dat hij van alle geestelijke vreugden verstoken was. Hoewel hij niet veel van de nabijheid van God voelde zei hij: “ U bent de God van mijn sterkte, waarom verstoot U mij? “ David vergiste zich. Hij verwisselde zijn gevoel in  voor de werkelijkheid van God. God verstoot nooit iemand die op Hem vertrouwt, welke droefgeestige gedachten hij ook over zijn eigen toestand mag hebben. 

Het lijkt erop dat David dat zelf ook besefte. Feitelijk bleef hij God vasthouden toen hij Hem smeekte : “ Blijf bij mij met Uw licht en Uw trouw en breng mij naar Uw heilige berg, naar de plek waar U woont. Laat mij weer in Uw tempel komen want U bent mijn grootste blijdschap. Ik wil op de harp spelen en voor U zingen, mijn God. “ 

David kon er niets aan doen dat de Heere hem uitgekozen had om koning over Israël te worden. Hij had er geen notie gehad van het feit waarom Samuël hem gezalfd had. Nergens in de Bijbel valt terug te lezen dat hij zelf het koningschap gezocht heeft, ook niet na zijn zalving.  Het is dan ook bijzonder begrijpelijk dat hij het verloop van zijn leven niet met Gods leiding rijmen kon.  Dat zijn hart onrustig was en zijn ziel bitter bedroefd. 

David is personificatie van de mens die zichzelf lang niet altijd begrijpt. “ Waarom ben ik zo bedroefd, waarom zo onrustig van binnen? “ dacht hij terwijl hij droefgeestig in zijn hart staarde. 

“ Geef mij Uw Geest van licht en waarheid mijn God! “ smeekte hij. “ Geef mij mijn vroegere vrijheid terug, dan zal ik het heilige en het heilige der heiligen zo dicht naderen als ik kan. “ Het is opmerkelijk dat David het niet over de velden van Efratha had waar hij schitterende psalmen over God en de natuur gedicht had. Waar hij Gods kracht en hulp ervaren had om zijn kudde te beschermen en leeuwen en beren te verslaan. Het heiligdom was hem dierbaarder geworden. Zoals Jezus in Jeruzalem achterbleef om zich in de dingen van zijn Vader te verdiepen, zo verlangde David daar ook naar.  

Uiteindelijk werd David moe van zichzelf en van zijn getob. “ Wat buig je je neder mijn ziel? “ zei hij.”  Wees niet langer neerslachtig en vertwijfeld. Geef God de eer, Ik zal Hem danken. Hij zal mij redden. Hij is mijn God! “ 

David zou zijn God niet eerder loven en prijzen dan bij zijn terugkomst in de tempel. Maar toen heeft hij dan ook een schitterende psalm gedicht: psalm 65. 

“ iedereen moet U prijzen God! U die woont op de Sion. Iedereen moet doen wat hij aan U beloofd heeft. U luistert als wij bidden. U luistert als we in Uw tempel zijn. U straft ons niet ook al doen we veel verkeerd. Gelukkig zijn mensen die U hebt uitgekozen. Ze mogen in Uw tempel wonen en genieten van het goede dat U geeft. God, U geeft ons antwoord als wij bidden. U laat ons Uw wonderen zien. U beschermt ons, U redt ons. Iedereen vertrouwt op U. Iedereen, overal op aarde tot voorbij de verste zee. God, U bent machtig en sterk. U hebt de bergen stevig vast gezet. U zorgt dat de zee weer kalm wordt en dat de hoge golven gaan liggen. U maakt een eind aan oorlogen. Iedereen die Uw wonderen ziet, eert U. Alle mensen juichen, overal op aarde. U zorgt dat de aarde vruchtbaar is, want Uw rivieren zijn vol water. Daardoor kan er koren groeien. U laat het regenen op de velden. De regen komt diep in de grond en maakt de harde aarde zacht. Zo kunnen jonge planten groeien. U zorgt voor een goede oogst het hele jaar door. Overal is meer dan genoeg. Zelfs woestijnen worden groen. Op de velden eten schapen gras en in de dalen groeit het koren. De mensen op de heuvels juichen, de mensen in de dalen zingen. Overal klinkt muziek en gejuich!”   ( SV, SV mu, HSV, NBV, SB, MH, de Bijbel in gewone taal ) 

 

 

Geef een reactie