Psalmen 25

Het opschrift boven psalm 25 noemt koning David als auteur. Hoewel de psalm spreekt over vijanden ( vs 2, 19 ), en vraagt om vergeving van zonden ( vs 7, 11, 18 ), is het karakter van psalm 25 te algemeen om conclusies te trekken over de concrete situatie waarin het lied gecomponeerd is. Het psalter heeft de vorm van een afabetisch acrostichon: ieder vers begint met een andere letter van het Hebreeuwse alfabet. Toch is de opbouw niet helemaal regelmatig. De quof ontbreekt en in plaats hiervan vind je twee regels die beginnen met resj ( vs 18, 19 ). Er is ook geen apart vers dat begint met de letter was. Toch komt het geheel van psalm 25 uit op 22, het totaal aantal letters van het Hebreeuwse alfabet. Het lijkt alsof David er behoefte aan had om zijn hart uit te gieten in een lied of psalm. Het opschrift is kort maar krachtig:  “van David “. 

De openingswoorden maken je duidelijk dat het om een gebed gaat. De aanleiding hiervoor wordt pas verderop in de psalm duidelijk gemaakt. De dichter ervaart hinder en voelt zich gekweld door zijn vijanden, maar ook door zijn zonden, en door het verlangen naar de leiding van God in zijn leven. De indringende, directe aanspreektitel aan het begin laat er geen twijfel over bestaan van Wie David hulp verwacht. “ Tot U Heere, hef ik mijn ziel op” zegt hij. Tegelijkertijd bidt hij of de Heere het wil verhinderen dat hij met schande overladen wordt doordat zijn vijanden over hem zouden jubelen. Dat zou wel heel erg zijn, want David wacht op God. Wie zijn hoop op God stelt wordt niet beschaamd. Het ligt voor de hand dat de vijanden van David geen vreemde volken waren, maar mede-Israëlieten. In hun dreigende houding naar David toe bleek hun gebrek aan erkenning van God. In contrast tot de trouweloze en verraderlijke houding van zijn volksgenoten bad David in drie paralelle zinnen ( vs 4, 5a ) of de Heere hem Zijn wegen bekend wilde maken, en hem Zijn paden wilde onderwijzen. Wat met die wegen en paden bedoeld wordt, is niets minder dan de waarheid van God, waarin de dichter onderwezen wilde worden. Daarbij kunnen we concreet denken aan Gods Thora als leidraad voor het leven. 

Het ‘ kennen ‘ en ‘ leren ‘ waar het over gaat, betreft geen intellectuele wijsheid, maar het gaat over het groeien in een Godvruchtige levenswandel. De reden waarom de psalmist er zo naar verlangde om zijn wandel naar Gods waarheid in te richten is het besef dat de Heere de reden was van zijn verlossing. ( Psalm 27  11 ) 

Daarom kijkt de dichter onafgebroken uit naar God. Na het gebed om Gods leiding volgt nog een tweede gebed, Daarin vraagt David om vergeving voor alle keren dat hij van Gods weg is afgegaan. Hij smeekt of de Heere aan Zijn barmhartigheid en verbondstrouw wil denken die Hij van oude tijden af bewezen had. Het is op die basis van vertrouwen dat David er moed op had dat de Heere zijn zonden ook werkelijk wilde vergeven. David bad dan ook of de Heere niet aan de zonden van zijn jeugd wilde terugdenken. Hij bad of de Heere aan hem wilde denken in Zijn verbondsliefde en trouw. Omdat Hij goed is! 

De dichter houdt zijn ogen voortdurend op de Heere gericht, want Hij alleen kan ervoor zorgen dat het goed met hem afloopt. David vraagt of de Heere Zich tot hem wil keren, om hem genadig te zijn. De grond voor dit gebed is gelegen in de situatie van de dichter: hij is eenzaam, en voelt zich er ellendig aan toe. Hij heeft het wel gehad over de vertrouwelijke omgang met God, maar nu zegt hij hoezeer hij daar zelf naar verlangt. Hij voelt zich steeds benauwder in zijn hart. Daarom bidt hij om verlossing om wat hem benard. Hij vraagt weer of de Heere Zelf op hem neer wil zien, en alles wat hem kwelt weg wil nemen. Voor de derde keer vraagt de dichter om vergeving, en hij vraagt er ook om of de Heere zijn vijanden voor Zijn rekening wil nemen. Het zijn er ontelbaar veel en het lijken er steeds meer te worden. Laat de Heere zijn leven toch verlossen en David beschermen! David heeft zijn hoop op God gevestigd, daarom bidt hij dat integriteit en oprechtheid hem zullen beschermen. 

Het laatste vers van deze psalm is eigenlijk een onderschrift want het valt buiten de alfabetische opbouw van het psalter. Het gebed om uitredding, dat tot nu toe als een individueel gebed opgevat kan worden, wordt uitgebreid tot het hele volk van Israël. Het is een gebed om verlossing van alle benauwdheden die het volk bedreigen. 

Er zijn drie gebedsthema`s die in deze psalm steeds terugkomen: een gebed om verlossing van vijanden, een gebed om leiding in het leven, en een gebed om vergeving van zonden. Hoewel de Goddelijke wet overbekend was voor David, besefte hij dat Gods leiding en hulp bij het naleven van deze geboden onontbeerlijk waren. 

Tegelijkertijd ademt de psalm een vast vertrouwen uit dat de God die trouw is aan Zijn verbond deze gebeden zal verhoren. Het bezit van Kanaän was één van de belangrijkste zegeningen die hoorde bij de naleving van de clausules van het Goddelijk verbond met Israël. ( Exodus 20 : 12 ), en symboliseert alle overige beloofde zegeningen. ( Psalm 37 : 9, 11, 18, 22, 29, 34 / Jesaja 60 : 21 ) Het is erg mooi dat David aan het eind van de psalm zijn verzoek verruimde, zodat het goldt voor alle leden van het volk van God! ( Psalm 3 : 9 ) 

Psalm 25 is vol vrome genegenheid voor God, het uitgaan van de heilige begeerte naar Zijn gunst en genade, en de levendige daden van het geloof in Zijn beloften. Wij kunnen daarvan leren wat het is om te bidden, maar ook waar wij om moeten bidden : Gods leiding op de weg van onze plicht, de gunst van God, verlossing uit onze benauwdheden, bewaring voor onze vijanden, en het heil voor de kerk van God. 

We leren ook om te pleiten op ons vertrouwen in God, op onze oprechtheid, op Gods beloften van leiding en onderwijzing, op het voorrecht van het verbond en de blijdschap en vreugde die er is in het wandelen met God! 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *