Oudejaarsvertelling

Dit verhaal is een raamvertelling over de bevrijding van Arnhem.

Een heerlijke vrije dag vandaag. Straks komen de kinderen thuis. Vanuit de studentensteden waar ze hun domicilie hebben, zullen ze met hun gelach en gedoe ons huis weer vullen, supergezellig! Ik kijk op mijn mobiel of er al app-jes oplichten die aangeven hoe lang het nog duurt voordat ze er zijn. 

Nog even wat  bloemen halen, ik open de deur en adem de frisse ochtendlucht genietend in. Het heeft geregend vannacht maar het belooft een stralende dag te worden. Op het moment dat ik naar buiten stap open ik de brievenbus, zou er al post zijn? Een pakje, bruin inpakpapier, een beverig handschrift.. Ik scheur snel en nieuwsgierig door de lagen pakpapier heen en vind het boek. De harde kaft staat wat uit, bobbelig papier, een krullerig handschrift. Doorgelopen inkt, een paar moeilijk leesbare woorden: “Verrassing voor jou van opa” 

Verbijsterd zak ik neer op de onderste traptrede, mijn gedachten overbruggen tijd en ruimte. Mijn opa. Het verhaal dat hij zo vaak verteld heeft, beleef ik opnieuw. Ik ben tien, hij is tachtig. De bevrijding herleeft: 

“Arnhem, september 1945. De parachute waaiert wijd uit, een korte ruk aan het koord, soldatenlaarzen bonzen neer op de uitbundig bloeiende heide. De felle klap die de aanraking van de bodem geeft zorgt voor een duizelig gevoel in zijn hoofd waaraan hij geen sekonde aandacht besteedt. Geen tijd te verliezen! Met korte, felle bewegingen van het mes gaan de lijnen door. Het wit-zijden parachutekleed is binnen enkele minuten verstopt. Spiedende blikken, bukken, zigzaggend, uiterst alert en gespannen rennen richting het apocalyptisch aandoende scenario dat voor hem opdoemt. Al rennend probeert de soldaat contact te krijgen met zijn divisie Tevergeefs, keer op keer hapert de zender, korte knetter-achtige geluiden bezorgen hem een gevoel van wanhoop. Af en toe hoort hij vage stemmen, maar een bericht komt niet door. Nerveus neemt hij de omgeving wat beter in zich op en probeert zich te oriënteren. Overal ziet hij zijn kameraden neerkomen, om de een of andere reden zijn ze verder van hem verwijderd dan hij zich voorgesteld had. Niemand die hij direct aan kan spreken, laat staan dat er sprake kan zijn van een her-groepering. Een gevoel van dodelijke eenzaamheid overvalt hem. 

Voor hem glinstert water, dat moet de Rijn zijn. Maar waar blijven de anderen? Artillerievuur ratelt onophoudelijk. Doffe inslagen zorgen voor opspuitende grond. En dan, daar rechts vóór doemen enorme monsters op in het schemerige ochtendlicht. Tanks!? Hier ? Onmogelijk, er was geen enkel bericht geweest, geen waarschuwing ook, er waren geen Duitse pantserdivies meer. Dat kan maar één ding betekenen, er is iets heel erg misgegaan! Verstijfd van schrik staat Matthew even stil, is er nog tijd om weg te komen? En welke richting moet hij uitgaan? “Help me!” bidt hij mompelend tussen zijn van schrik verstijfde lippen. Het moet een SS- divisie zijn, de donkere doodskop die hij ontwaart laat daar geen enkele twijfel over bestaan. Wat begint een nietig mensenkind tegen deze overmacht? 

Met een scherpe draai ziet hij de tanks naar links afbuigen, richting de Rijn. Ze hebben hem niet gezien, ongelooflijk! De enorme geweerlopen blijven stil, nog wel. Straks zullen ze hun vuurspuwende en vernietigende werk doen, niets en niemand ontziend. Voor Matthew betekent deze wending: leven! 

Als een kanonskogel rent hij verder, en probeert op zijn kompas richting te bepalen. Het Britse bruggenhoofd moet zich in dezelfde richting bevinden als die waar de tanks zich heen spoeden. Dit is een ramp! Hij moet het XXX Corps zien te bereiken! De dropzones zijn in Duitse handen, en er is niemand die het weet!

Opnieuw knettert de zender, geen enkel contact mogelijk, geen enkele code is toereikend om een boodschap door te geven. Het heeft ook geen zin om zijn vuurpijlen te verschieten. Alle signalen zullen door zijn vrienden die in vliegtuigen boven hem verschijnen genegeerd worden, ze volgen het commando om tekenen vanaf de grond te negeren. Alle moed zakt weg, paniek giert als een monster door zijn aderen. Matthew begint te rennen voor zijn leven. Het verlaten landschap ziet er dreigend uit. Rookpluimen schieten op, artilleriebeschietingen. In de verte een sinister ijzeren geraamte, dat moet een brug zijn geweest. 

Ineens doemen de contouren van een gebouw voor hem op, doods en verlaten. Het is waarschijnlijk een boerderij die verlaten is door zijn bewoners. Die zijn het oorlogsgeweld ontvlucht. Hij moet een beschutte plek zien te vinden om zijn zendapparatuur in orde te maken. Dit hier lijkt uiterst geschikt. Zonder zich te bedenken laat Matthew zich op de grond vallen en tijgert in de richting van de voor hem op doemende boerderij. Het erf is verlaten, geen mens te bespeuren. Voorzichtig probeert hij een deur, die wijkt. Een lange gang, overal scheuren in de muren en gaten in de bodem. Het huis biedt een treurig toneel van onverteld oorlogsdrama en verlatenheid. Een schaduw doemt op, hij schrikt zich half dood. Een tengere jongen van zijn eigen leeftijd kijkt hem verbijsterd aan. Donkere angstige ogen in een bleek vertrokken gezicht. Een Joods aandoend uiterlijk, schat Matthew direct. Eenzelfde doodsangst straalt hem tegemoet, een angst die hij direct herkent. In eerste instantie wil de jongen wegrennen, maar Matthew richt zich op en zegt in het Engels: I`m your friend, no German. In één oogopslag begrijpt de jongen de situatie, legt zijn vinger op zijn lippen en trekt Matthew met een felle ruk de gang in. “You’re an Englishman? “Yes, he is. Matthew monstert de jongen en schat hem een jaar of 17. Duidelijk jonger dan hij zelf is. Langzaam sprekend probeert hij de jongen uit te leggen dat zijn radio kapot gegaan is bij de landing. De jongen luistert aandachtig en er flitst een kort begrijpen tussen hen. 

Een minuut of wat zitten ze daar samen op de grond. Koortsachtig nadenkend over een mogelijke oplossing. 

De jongen hervindt zich en loopt langzaam achteruit, zijn gezicht gefixeerd op dat van Matthew. Langzaam bedaard de eerste felle schrik. Hij zegt : “come on.” Ze lopen de kale trap van het lege boerenhuis op. De jongen wrikt op de overloop een plint los. Daarachter ligt een metalen doos. Een lichtstraal van hoop flikkert op in Matthews hart. Zonder iets te zeggen overhandigt de jongen hem de doos. Hij kijkt Matthew verwachtingsvol aan. De doos is omwikkeld door touw en ziet er stoffig uit. Het pakket moet hier al lang gelegen hebben. 

Matthew haalt de knopen uit het touw, opent moeizaam de metalen doos en wikkelt een radio tevoorschijn. Met doelbewuste bewegingen opent hij de kast en rommelt er wat met de elektrodes. Het ongelooflijke gebeurt, het lukt hem om een verbinding tot stand te brengen. Morrelen, een korte knetter, daar is het contact! Binnen enkele minuten seint Matthew zijn alarmerende berichten de wereld in. Dan zakt hij weer neer op de bodem achter de bar. Even kijken de jongens elkaar met glimmende ogen aan. Dan horen ze opnieuw felle artilleriebeschietingen. 

Het lijkt alsof het geluid dichterbij komt. Het aanvankelijke gevoel van veiligheid klapt als een zeepbel in. 

“ I have to go” zegt Matthew gehaast en de ander vult aan: “The Lord bless you and your friends.” 

Twee paar jongenshanden grijpen inéén, twee paar ogen kijken elkaar aan in een hoopvol begrijpen.

Dan verdwijnt Matthew in het schemerige rokerige oorlogslicht. Zijn snelle tred klinkt na in de donkere gang en sterft weg op het buitenpad. Hij rent opnieuw, deze keer in de richting van de stad. Dat moet Arnhem zijn. Vanuit de lucht regent de bevoorrading op de vastgestelde dropzones. Tot zijn ontzetting ziet Matthew dat een delegatie Duitsers zich er meester van maakt. 

Ineens spuit de grond naast hem op. Hij schreeuwt. Een felle pijn vlamt door hem heen en hij valt. Zijn ene voet hangt in een hulpeloze bocht naar de grond. Matthew schreeuwt het nog een keer uit. Alles wordt donker om hem heen. 

Als hij zijn ogen opent kijkt hij in het gezicht van een oudere man. Heldere ogen kijken hem onderzoekend aan. Matthew kreunt, zijn mond voelt ruw en droog aan. Maar boven alles uit doorvlamt hem de pijn in zijn voet. Hulpeloos grijpt hij om zich heen. De man grijpt zijn zoekende handen vast en zegt in een onverstaanbare taal rustgevende woorden. Matthew zakt weer weg in een diepe bewusteloosheid. Af en toe schreeuwt hij het uit van de pijn. Altijd zijn er dan handen en de overstaanbare taal. Beide doen geruststellend aan. Langzaam opent Matthew zijn ogen en kijkt naar de pijn. Tot zijn ontzetting ziet hij dat zijn been vlak onder de plaats waar hij zijn onderbeen en voet weet, in een dik wit verband eindigt. Hulpzoekend kijkt hij om zich heen terwijl de tranen over zijn gezicht stromen. Het volle besef van de werkelijkheid staat weer op zijn netvlies gedrukt. De opspuitende grond, de gillende granaat, de inslag. 

“ You are here, you `re safe, don`t be afraid! “ zegt een stem, deze keer in zijn eigen taal. Het zijn dezelfde ogen. Ogen vol meeleven en een soort liefde. Matthew voelt zijn eigen wanhoop onbewust minder worden. 

De man met de rustige ogen is er elke dag. Hij helpt zonder woorden, brengt verbanden aan, desinfecteert de wond. Luistert naar de wanhoop, het verdriet. 

Voorzichtig vertelt hij elke dag een bericht. De slag om Arnhem is mislukt. De opmars van de grondtroepen verliep aanmerkelijk trager dan gedacht. Hoewel de brug in handen van de Geallieerden gevallen was, wachtten ze tevergeefs op versterking, en moesten zij zich overgeven. 1800 Britse en Poolse militairen, 1800 Duitsers en 1000 burgers waren omgekomen, vertelde de man. Hij heette Kaspar wist Matthew inmiddels. 

Het was Matthew vreemd te moede. De beelden van de landing, de ontmoeting met de Joodse jongen, de radiozender en de pijn, de afschuwelijke pijn zorgden voor een diep trauma dat hem bijna elke nacht badend in zweet en tranen wakker schokte.

Om hem heen meer jongens en mannen die huilden, kreunden, vloekten en baden. Iedereen had genoeg aan zijn eigen pijn. Zo gingen de weken voorbij. Langzaam genas Matthew. Kaspar nam hem mee naar zijn eigen huis toen hij zich beter voelde. 

Kaspar was bij de slag om Arnhem zijn vrouw kwijtgeraakt, maar dat vertelde hij Matthew pas op de dag dat hij hem zijn huis binnendroeg. 

Langzaam droogden de ergste tranen, de wanhoop werd minder diep. Gesteund door Kaspar leerde Matthew de spieren in zijn benen weer te gebruiken. De stomp moest gehard worden door eindeloos oefenen. 

De wond genas. En de oorlog ging voorbij. Allerlei verhalen deden de ronde. Het mislukken van de slag om Arnhem zou te danken zijn aan verraad. Anderen vertelden dat een neergehaalde Amerikaanse soldaat het aanvalsplan bij zich had gehad.

Matthew verenigde zich niet meer met zijn kameraden. Hij kon de aanblik van de oorlogswonden die iedereen opgelopen had niet verdragen. 

Kaspar was anders. Hij klaagde niet, vloekte niet en huilde zelden. Hij bleef opgewekt, moedig en vrolijk. Hij had geen medelijden met Matthew, was soms uitgesproken streng voor hem. Zelf klaagde hij nooit. Matthew zag met groeiend respect aan hoe Kaspar leefde. Kaspar had een Bijbel en geloofde in God. Matthew ook, maar nu niet meer. Dat vond Kaspar niet erg, hij bad en las gewoon. Matthew vond het ondanks dat hij niet meer kon geloven, rustgevend. 

De oorlog had heel Europa in een catastrophe gestort. Reizen was zowat onmogelijk. Matthew schreef met zijn ouders en wist dat ze veilig waren. Kasper had een zoon die terugkwam uit Duitsland, als door een wonder in leven gebleven in de werkkampen. Samen krabbelden ze op. Matthew kreeg de gelegenheid om terug te gaan naar Engeland via een speciale vlucht van het Witte Kruis. 

Op de avond voor zijn vertrek zaten de drie mannen woordloos bij elkaar. 

Hoe was het mogelijk dat hun levens zodanig verweven waren dat ze eigenlijk geen afscheid konden nemen? 

De diepe kraters van de bommen waren niet zo ingeslagen als de de dood, de amputatie, en het werkkamp dat hadden gedaan. 

“ En dat mag je nooit vergeten lieve kleindochter. “ schreef mijn opa aan het eind van zijn brief. Later is Matthew teruggekomen, samen met zijn ouders. Hij kwam vertellen dat er geen dag voorbij ging dat hij niet aan ons hier in Nederland dacht. Toen hij terugging kreeg ik een pakje van hem. Het was een King James Bijbel. Voorin had hij geschreven: “ And God shall wipe away all tears from their eyes; and there shall be no more death, neither sorrow, nor crying, neither shall there be any more pain: for the former things are passed away.”

 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *