Jezus wekt een jongen tot leven

Daarna ging Jezus naar de stad Naïn. Zijn leerlingen en veel andere mensen gingen met Hem mee. Toen ze bij de poorten van de stad kwamen liep er net een grote groep mensen de stad uit. Ze droegen een dode jongen. De moeder van de jongen liep mee. Ze had niemand meer. Haar man was al overleden, en nu was haar enige kind gestorven. Toen de Heer de moeder zag, kreeg Hij medelijden met haar en zei: ‘ Huil maar niet. ‘ Daarna liep Hij naar de dode jongeman toe. De mensen die de jongen droegen bleven staan. Jezus raakte het lichaam aan en zei: ‘ Jongen, Ik wil dat je opstaat. ‘ De jongen kwam overeind en begon te praten. Toen gaf Jezus hem weer aan zijn moeder. Alle mensen waren diep onder de indruk. Ze dankten God en zeiden: ‘ God heeft aan Zijn volk gedacht. Hij heeft een machtig profeet naar ons toegestuurd. ‘ Het nieuws over Jezus werd bekend in heel Judea en daarbuiten. ( Lucas 7 : 11 – 17 ) 

Hier op aarde heeft Jezus het ene wonder na het andere verricht. Hij redde ernstig zieken, en maakte ze weer gezond. Hij was Heer en Meester over ziekte, zonde en dood. Op een gegeven moment moest Jezus naar de stad Naïn. Naïn was een plaats die ongeveer 40 kilometer ten zuidwesten van Kapernaüm ligt. Het was een lange voettocht die zeker acht uur duurde. Toch gingen er veel mensen met Jezus mee, die door Lucas werden onderscheiden in twee groepen: leerlingen van Jezus, en een grote menigte mensen. Jezus liep – omstuwd door mensen – de poorten van het stadje tegemoet. Juist toen hij de poort door wilde gaan, naderde er vanuit de stad een rouwstoet. Vlak achter de baar liep een moeder die haar enigst kind moest begraven. Een aanzienlijke stoet mensen vergezelde de vrouw. De Joden zagen het als een bijzondere liefdedienst om zich bij een begrafenisstoet aan te sluiten. Meelevende, treurende buurtbewoners, gehuurde klaagvrouwen, en fluitspelers omringden de stoet. Lucas beschrijft in summiere bewoordingen dat de treurende moeder weduwe was, die haar enigst kind verloren had. In die tijd was dat feit haast nog tragischer als tegenwoordig omdat een vrouw die weduwe was voor haar inkomen en levensonderhoud afhankelijk was van haar zoons. Het woord neaniskos duidt op een persoon die tussen de 24 en 40 jaar oud geweest moet zijn. 

Voor het eerst in het Evangelie van Lucas zou de auteur Jezus in dit schriftgedeelte ‘ Heer ‘ noemen. Zo kwam tot uiting dat Hij Heer en Meester is over leven en dood, over de hele schepping. Jezus was ook Heer en Meester over deze situatie. ( vgl. Lucas 8 : 5, 17 ) In deze bijzondere confrontatie tussen de Heer van het Leven  ( vlg. Joh. 5 : 26 – 28 ) en van de dood ( Hebr. 2 : 14 ) zou blijken dat de Heere Jezus Christus het laatste woord had. 

Bij het zien van de treurige begrafenisstoet begon het hart van Jezus te branden van ontferming en medelijden. ( vgl. Lucas 10 : 33 ) Jezus die als niemand anders precies wist wat de dood voorstelde, en hoe groot het contrast tussen het Paradijs en deze verdrietige situatie was, moet Zijn hart wel hebben voelen breken bij het zien van al dit verdriet. Het lijkt wel alsof Hij het niet langer kon aanzien toen Hij stilsstond en de begrafenisrituelen doorbrak. Krachtig riep Hij de vrouw op om te stoppen met huilen.  

Jezus stapte op de lijkbaar af en raakte die aan. De dragers stonden onwillekeurig stil. Het was bijzonder ongepast wat Jezus deed. Volgens de Joodse wet was iemand die een dode aanraakte onrein. Zelfs het aanraken van de baar was al genoeg om ervoor te zorgen dat iemand onrein werd. Het deerde Jezus niet, er was geen spoortje van onrust of aarzeling in Zijn optreden te bemerken. Niets van dat alles. De aanraking en aanwezigheid van Jezus waren veel sterker dan de onreinheid van de dood, dat zou blijken. Het bevel van Jezus gaf de jongeman de levensgeest die van hem geweken was weer terug. 

Onder ademloze stilte begon Jezus te spreken. Hij beval de dode jongeman om op te staan, en gaf hem tegelijkertijd zijn levensadem terug. ( Lucas 8 : 54 / Mar. 5 : 41 / Joh. 11 : 43 ) Naar Joodse gewoonte werd iemand die overleden was omwikkeld met windsels, op een open baar gelegd en vervolgens naar de begraafplaats vervoerd. 

Nadat Jezus deze woorden uitgesproken had, ging de dode overeind zitten, en gaf gehoor aan de oproep van Jezus. Daaruit bleek helder en duidelijk dat de jongeman niet meer dood was. Maar er gebeurde nog meer. De jongen begon te spreken, het hoorbare bewijs dat hij niet meer dood was. 

 

Jezus hield de eer niet voor Zichzelf. Vol liefde gaf Hij de jongeman aan zijn moeder terug. De opwekking van de zoon was dus een daad vol ontferming van Jezus voor de moeder ( vgl. vers 13 ) 

Dit wonder heeft Jezus gedaan zonder enige wedervraag. Hij vroeg de moeder van de jongen niet om geloof. De moeder, van haar kant, had Jezus ook niets gevraagd. Jezus had haar kind al levend gemaakt voordat ze ook maar iets kon vragen. Je kunt hieruit concluderen dat alle nadruk in deze weergaloze geschiedenis van unconditonal love op Jezus alleen valt. Op Wie Hij is. 

Wie is als Hij?
Daarom aanbidden wij Hem, die ons Leven is.

 

 

 

One response to “Jezus wekt een jongen tot leven

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *