Hosea 5

Het ging niet goed met het volk Israël, allerlei zonden en misstanden vierden hoogtij.  Na een snelle opsomming van de zaken die niet goed gingen, noemde Hosea vooral de geestelijke misstanden, de godsdienstige zonden. In de eerste plaats ging het over de zonden van de priesters, die het volk niet goed onderwezen in de zaken die God in Zijn heilige wet had vastgesteld.  Het volk van God was totaal verstrikt geraakt in de zonde, en kon er niet meer los van komen. Daardoor had hun dienen van God geen enkele waarde meer. Een broederoorlog tussen Israël en Juda zou voor beide volken een regelrechte ramp zijn. Zelf een bondgenootschap met het machtige Assyrië zou deze ramp niet meer af kunnen wenden. De straffen en tuchtigingen van God hadden een pedagogisch doel: het volk moest diep schuldbesef krijgen, en terugkeren tot Jahweh, de Heere, hun God van oude tijden af. 

De priester Hosea deed een drievoudige oproep: de priesters moesten luisteren, het volk van Israël moest er aandacht aan besteden, en zelfs het koninklijk huis moest het oor neigen. Hosea had een retorische vraag voor zijn doelgroep. Hij vroeg:  ‘ De rechtspraak is toch aan jullie toevertrouwd? ‘ Deze uitspraak kon betrekking hebben op leidinggevenden om het recht te handhaven. Maar het kon ook een aanduiding zijn van het feit dat ze onder het oordeel van God vielen. De leidinggevenden die Hosea aan moest spreken hadden allerlei dingen verkeerd gedaan. Hierdoor hadden ze een ernstig oordeel over zichzelf afgeroepen en waren ze feitelijk hun ambt niet meer waard.  Allerlei verkeerde handelingen en zonden hadden ervoor gezorgd dat er een wig gedreven was tussen het volk van Israël, en zijn God. Terugkeer tot de goede dienst aan God was hierdoor vrijwel onmogelijk geworden. Waarschijnlijk ging het om een algemene sfeer van afgodendienst, een dienst aan alles en iedereen behalve aan de Heere, de God van hemel en aarde. Efraïm en Juda, twee stammen van Israël, maken zich hieraan schuldig. Efraïm was het noordelijk rijk van Israël ( zie Gen. 48 : 19 ) Wanneer een mens of een volk bij zijn zonde blijft, dan zal die zonde op den duur zijn hele denken doordringen, hem tot een slaaf van de zonde maken, en zijn of haar geweten tot zwijgen brengen. 

‘ Ik ken het volk van Israël ‘ zei de Heere. ‘ Ik weet heel goed wat ze doen. Ze zijn Mij niet trouw gebleven. Ze zijn Mijn heilige volk niet meer. Dat kunnen ze ook niet meer worden. Ze kunnen niet meer bij Me terugkomen, want ze gedragen zich slecht. Ze vereren andere goden en willen Mij niet meer kennen. Ze zijn trots en denken dat ze alles mogen. daarmee maken ze hun schuld voor Mij alleen maar groter. Het zal slecht met hen aflopen, en ook met het volk van Juda. Ze zullen Mij weer zoeken, maar niet vinden. Ze zullen met offers naar de tempel komen, maar Ik zal me voor hen verbergen. Want ze zijn Mij ontrouw. Ze horen niet meer bij Mij, en hun kinderen ook niet. Daarom zullen hun akkers verwoest worden, en zijzelf zullen worden gedood. Dat zal nog deze maand gebeuren. ‘ 

Jahweh was tot het uiterste getergd. Iedereen die iets weet over de afgodendienst aan Baäl en Astarte kan dat begrijpen. De zedeloosheid van de Kanaänieten is spreekwoordelijk geworden onder archeologen. Professor Unger schreef: ‘ De erotische aspecten van hun godsdienst waren gezonken tot extreem lage diepten van sociale ontaarding. De godsdienstige handelingen van de Kanaänieten waren barbaars, en door-en -door losbandig. Ze verzwakten alle aspecten van de maatschappij op een bijzonder ernstige manier. De beestachtigheid, wellust en losbandigheid van de Kanaänitische mythologie is veel erger dan in het Nabije Oosten van die tijd. De bewoners gaven zich over aan gewijde prostitutie, bestialiteiten, zinnelijke naaktloperij, slangenaanbidding en kinderoffers. ( zie ook : Wetenschap en de Bijbel – drs. B. Holbrink ) De meest populaire god was Baäl, de god van de vruchtbaarheid. Om de geslachtsdrift aan te wakkeren tijdens de godsdienstige rituelen droegen de mannen soms vrouwenkleding, en de vrouwen mannenkleding. Daarom ook het verbod in Deut. 22 : 5 

De bastaardkinderen over wie Hosea het had, zijn bij vruchtbaarheidsrituelen in heidense heiligdommen van de Baäl afgesmeekt, en zogenaamd van hem gekregen. De nieuwe maand feesten waren feesten die eveneens aan de Baäl waren gewijd. 

Geen wonder dat de Heere een gruwel kreeg van zijn eigen volk. Hij liet Hosea een oproep geven om de ramshoorn te blazen. Normaal gesproken blies men de ramshoorn bij feesten, en bij mobilisatie in oorlogstijd. Nu zou het voor de oorlog zijn. Veel verklaarders denken dat dit was omdat ze hulp gevraagd hadden aan de koning van Assyrië. 

God was veranderd in een vijand van Zijn eigen volk. Hij riep uit door de mond van Hosea dat Hij Zijn eigen volk aan zou vallen als een leeuw. Een verscheurende leeuw. Hij dreigde Zijn volk te verlaten tot ze zouden begrijpen waarom ze gestraft werden. 

We zien opnieuw de grote woede van God over de zonde, en over het halsstarrig doorgaan met zondige praktijken. Gelukkig zal het verloop van de profetie van Hosea ons laten zien hoezeer Jahweh begaan bleef met Zijn volk. Hij was als een vader die een hevige woede-uitbarsting heeft, maar daar later weer van terug komt. Oorzaak: diepe liefde! 

 

 

2 responses to “Hosea 5

  1. Wow, marvelous blog structure! How lengthy have you been running a blog for?
    you make blogging look easy. The whole look of your site is fantastic, as
    neatly as the content! You can see similar here <a href="[Link deleted]internetowy

Geef een reactie