Genesis 37 : 12 – 30

De spanningen binnen het gezin van vader Jakob lagen verborgen onder de smeulende oppervlakte van het op het eerste zicht gewone dagelijks leven en was vaak om te snijden. Er hoefde niet veel te gebeuren of er laaide een ruzie op. Op een dag weidden de broers hun kudden in het veel noordelijker gelegen Sichem. Sichem was min of meer vijandelijk gebied geworden sinds de vergeldingsactie om Dina ( Gen. 34 : 25 – 29 ) Jakob had het er niet zo op, en gaf zijn zoon Jozef daarom de opdracht om de kudden van zijn broers op te zoeken, en zich ervan te verzekeren dat de situatie rustig was. Hij moest er niet aan denken dat zijn zoons met hun kudden het slachtoffer van een brute vergeldingsactie van de Sichemieten zouden zijn.

Jakob had niet direct een antenne voor de onderlinge spanningen binnen zijn gezin, anders had hij Jozef nooit naar zijn broers gestuurd. Blijkbaar hadden de broers niets van hun jalousie met betrekking tot de veelkleurige mantel laten blijken, en ze hadden de haat die de verteller van het boek Genesis meerdere keren benoemd had, goed weten te verbergen. ( Gen. 37: 5, 8, 11 ) 

Jozef ging op weg en struinde verloren rond in de velden van Sichem. Hij vroeg een passant of er herders met een grote kudde schapen waren gesignaleerd. Het was in de oudheid heel gewoon dat herders langere tijd rondzwierven, al naargelang het droogteseizoen duurde. Tot Jozefs verrassing had de voorbijganger zijn broers inderdaad langs zien trekken. Hij duidde de te volgen route uit, en Jozef vervolgde zijn reis welgemoed. Het zou niet lang meer duren voor hij de eerste schapen van de kudde zag. De kudde bevond zich noordelijker, richting Dothan. Jozef was ontzettend blij dat hij eindelijk zijn bestemming had bereikt. 

Hij had er geen notie van dat zijn blijdschap eenzijdig was. Zodra ze hem zagen, stootten de broers elkaar aan en riepen: ‘ Daar komt die meesterdromer aan ‘ De verborgen haat laaide op, had feitelijk niets nodig om weer tot een felle brand uit te slaan. Unaniem waren de broers van mening dat ze deze situatie niet langer wilden laten voortbestaan. Jozef moest uit de weg geruimd worden, dat stond als een paal boven water. De dromen, daaraan hadden zij zich het meest geërgerd. In allerijl beraamden ze een moordplan. Ze wilden Jozef vermoorden en zijn lijk in een waterput gooien terwijl ze Jakob zouden vertellen dat hij door een wild dier verscheurd was. Dit verhaal zou een roemloos einde van de dromer en zijn dromen betekenen. 

Ruben bedacht zich. Het ligt voor de hand dat hij zich als oudste verantwoordelijk voelde voor het reilen en zeilen binnen zijn familie. Zijn eigen misstappen hadden misschien zijn geweten gevoeliger gemaakt dan dat van zijn andere broers. ‘ Laten we hem niet doden / bega toch geen misstap / sla de hand niet aan hem ‘ ( vs 21, 22 ) zei hij. Het was niet dat zijn hart Jozef ook niet haatte, maar Ruben wist dat het eigenhandig doden van iemand een grotere zonde was, dan het iemand laten sterven zonder deze moorddadige handeling zelf te verrichten. Als Jozef in een waterput op de steppe een langzame hongerdood zou sterven, dan hadden zij hem niet vermoord. Maar al denkend leek het Ruben toch de beste oplossing om Jozef te redden, en hem stiekem uit de waterput te redden, zodat zijn vader hem weer terug zou krijgen. 

Jozef kreeg niet eens de gelegenheid om zijn broers te begroeten. Voor hij het besefte was hij zijn veelkleurige kleed kwijt, en belandde hij met een doffe smak op de bodem van de put. De opeenvolging van gebruikte werkwoorden geeft de voortvarendheid en ruwheid aan waarmee de broers hun acties uitvoerden. Gelukkig stond er geen water in de put zodat Jozef niet verdronk. Zichtbaar onaangedaan, en doof voor het gehuil van Jozef begonnen de broers een maaltijd te verorberen. 

Opeens doemden er stofwolken op, er naderde een karavaan Ismaëlieten. Niets ongewoons want Dothan lag op de handelsroute die dwars door Israël liep, de zogenaamde via Maris. De route liep van Gilead naar het westen over de vlakte van Jizreël  en Dothan, om naar Egypte te leiden. Beladen met hun koopwaren gom, balsem en hars bewoog de karavaan zich zuidwaarts. De broers stootten elkaar aan, er rijpte een in hun ogen subliem idee in hun duistere brein. Ruben nam de herdershonneurs waar en paste op de kudde. Zijn advies was ook niet nodig. Juda stelde voor om Jozef te verkopen aan de karavaan, dan zouden ze verlost zijn van alle problemen. Ze hoefden niet eens een moord te plegen om van Jozef af te zijn. En zo gebeurde het dat Jozef uit de put getrokken werd, om voor twintig zilverlingen aan de handelslieden verkocht te worden. Zonder medelijden werd hij aan een kameel vastgeknoopt. De karavaan zette zich langzaam weer in beweging en verdween uit zicht. En zo verdween Jozef uit het leven van zijn broers. Voorgoed!? 

 

4 responses to “Genesis 37 : 12 – 30

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *