Genesis 24

Soms kan het nodig zijn dat we eerst lange tijd wachten en bidden voordat de leiding van de Heere duidelijk wordt in ons leven. Hoewel dromen, visioenen, tekenen en wonderen zowel in het onderwijs van de Bijbel als in ons persoonlijk leven een rol kunnen spelen, is in de loop der eeuwen ook wel duidelijk geworden hoe voorzichtig we moeten zijn met de duiding ervan. Het verwerven van zelfkennis, en het vragen van advies van mensen is ook een manier waarop de Heere God mensen verder wil helpen. Deze menselijke aanpak staat absoluut niet in contrast tot de leiding van God als we ons maar willen laten leiden door de wijsheid van Gods woord en door de leiding van mede-christenen. 

De eeuwenoude geschiedenis van Isaak en Rebekka is een lichtende illustratie van de leiding van God. 

Abraham was oud geworden. Jahweh had hem met grote rijkdom overladen en zijn bezit  bestond uit kleinvee en runderen, zilver en goud, slaven en slavinnen, kamelen en ezels en last but not least uit de zo langverwachte zoon. Nu Isaak volwassen geworden was wilde Abraham dat zijn zoon – de erfgenaam van de Goddelijke belofte – net als hijzelf de Heere zou dienen en volgen. Daarom stond Abraham niet toe dat zijn zoon met een heidense vrouw zou trouwen. Dat zou zijn geloof in gevaar kunnen brengen. Abraham stond ook absoluut niet toe dat Isaak zelf naar zijn vaderland zou reizen om een vrouw te zoeken. Het zou zomaar kunnen dat hij  dan in de verleiding zou komen om daar te blijven. 

Daarom riep Abraham zijn knecht Eliëzer bij zich. Eliëzer was zijn meester en Jahweh volkomen toegedaan. Als oudste, hooggeplaatste en meest ervaren knecht was hij de uitgelezen persoon om deze bijzondere taak voor zijn heer ten uitvoer te brengen. Eliëzer geloofde in de beloften van God en begreep hoe belangrijk het was dat in elk detail van de praktische uitvoering ervan de leiding van de Heer zou worden gezocht en gevolgd. 

Nadat Abraham zijn knecht precies had verteld wat zijn opdracht was, vroeg hij hem om zijn hand bij hem onder de heup te plaatsen en een eed af te leggen in de naam van de Heere, de God van hemel en aarde. ( vgl. Gen. 14 : 22 ) Slaven waren verplicht om over te gaan tot de godsdienst van hun meester, maar het zou blijken dat Eliëzer het geloof van Abraham niet alleen daarom deelde. Hij was Jahweh met hart en ziel toegedaan. 

Het plechtige karakter van de eedzwering gaf aan hoe serieus de opdracht was die Abraham aan zijn knecht meegaf. De eed werd soms gekoppeld aan een ‘ heilig ‘ voorwerp. In vers 2 was dat de lies – die waarschijnlijk model stond voor het leven of voor het verbond ( de besnijdenis ) –  al naargelang de opdracht die iemand werd toevertrouwd. 

De familie van Abraham woonde in het Noordwesten van Mesopotamië, tussen de twee rivieren de Eufraat en de Chabor. Eliëzer nam tien kamelen en zadelde die vol kostbaarheden die Abraham hem meegegeven had. Kamelen waren zeldzame dieren in die tijd, en benadrukten dan ook de rijke geschenken die Abraham voor het huwelijk van zijn zoon Isaak overhad. Eliëzer zwoer zijn meester dat hij de opdracht aannam en wat hem betreft tot een goed einde zou brengen.

Zo gezegd, zo gedaan, Eliëzer waagde de moeilijke tocht door de woestijn naar het land van herkomst van zijn meester. Het is opvallend hoe de knecht in alles de wil van zijn meester en van God opvolgde. Na een lange reis kwam de expeditie in de vroege avond aan op de plaats van bestemming. De karavaan begaf zich naar de waterbron, de centrale ontmoetingsplaats van het dorp,  om te bezien hoe ze het beste hun opdracht ten uitvoer zouden kunnen brengen. 

Omdat Eliëzer onafgebroken de leiding van God zocht begon hij allereerst te bidden. Hij erkende God door een bijzonder gebed waarin hij voorspoed en succes voor zijn bijzondere missie afsmeekte. De knecht van Abraham vroeg een Goddelijke aanwijzing en bad de Heere of het meisje dat voor Isaak bestemd zou zijn duidelijk naar voren zou komen. Dat ze niet alleen hem en de mannen die bij hem waren te drinken zou geven, maar ook de kamelen. Deze actie van het meisjes zou haar karakter tonen, ze zou blijk geven van vriendelijkheid, hulpvaardigheid en inzicht in de situatie. Ze zou begrijpen dat de dieren net zoveel  behoefte hadden aan fris helder drinkwater als de mensen. 

Eliëzer had zijn gebed nog niet beëindigd, of er kwam een jonge vrouw naar de bron. Het was Rebekka, de dochter van Betuel, de zoon van Milka en Nachor, de broer van Abraham. 

De dochter van Betuel was mooi, ze droeg geen sluier en zag er gezond uit. Al spoedig zou blijken dat ze daarboven ook nederig, vriendelijk, hoffelijk was. Het leek erop dat ze alle eigenschappen bezat die Abraham en Eliëzer zochten. Rebekka daalde af naar de bron, vulde haar kruik met water en kwam weer naar boven. Op dat moment stond Eliëzer op en vroeg haar wat te drinken uit haar kruik. Het leek erop dat hij zelf niets had om water mee te putten. Rebekka gaf onmiddellijk gehoor aan de vraag van Eliëzer. Ze begon water te putten en gaf Eliëzer en zijn mannen wat ze nodig hadden. 

Nadat iedereen gedronken had, bood Rebekka aan om ook water voor de kamelen te putten. Voor de blijde ogen van Eliëzer vulde ze de drinkbakken van de kamelen en gaf ze genoeg. Terwijl Rebekka druk bezig was, vroeg Eliëzer zich af of dit meisje familie was van zijn meester. Het was dan ook de eerste vraag die hij haar stelde toen ze haar taak volbracht had. Tot zijn grote blijdschap gaf Rebekka een bevestigend antwoord, ze was een nauw verwante van zijn meester. De familie waaruit ze stamde was aanzienlijk en kon hem en zijn mannen zelfs herbergen. 

Eliëzer erkende de hand van de Heere in alles. Hij bedankte eerst Rebekka voor haar vriendelijkheid en prees zich gelukkig dat Jahweh hem regelrecht naar de juiste persoon en familie had willen leiden. 

One response to “Genesis 24

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *