Ester 3 : 5 – 11

Haman hoorde dat Mordechai niet voor hem wilde knielen. Hij werd woedend, en dacht: Mordechai moet dood. Maar toen hij hoorde dat Mordechai een jood was, dacht hij: ‘ nee, dat is niet genoeg. Zijn hele volk moet gedood worden, alle Joden in het hele koninkrijk. ‘ Haman wilde weten wanneer dat het beste kon gebeuren. Daarom liet hij het lot werpen. Dat deed hij toen Ahasveros twaalf jaar koning was, in de eerste maand van dat jaar. Het lot wees de twaalfde maand aan. Toen zei Haman tegen de koning: ‘ Er is in uw koninkrijk een volk dat in verschillende provincies woont. Die mensen wonen tussen de andere volken, maar ze hebben hun eigen wetten. En aan uw wetten houden ze zich niet. Daar moet u iets aan doen, want u bent de koning. Ik stel voor dat u een bevel laat schrijven. Daarin moet staan dat alle mensen van dat volk gedood moeten worden. Als u dat bevel laat schrijven, krijgt u 300.000 kilo zilver van mij. ‘De koning had een zegelring aan zijn vinger. Met die ring zette hij een stempel op brieven, waardoor ze officieel werden. De koning gaf de ring aan Haman, de vijand van de Joden. En hij zei: ‘ Dat zilver hoef ik niet, en met dat volk mag u doen wat u wilt. ‘ 

Mordechai hield met een gedurfde vastberadenheid aan zijn principes vast. Hij weigerde te buigen voor Haman zoals de rest van de dienaren van de koning dat deden. Desgevraagd vertelde hij onomwonden dat hij een Jood was, en deze soort aanbidding niet voor zijn geweten kon verantwoorden. De weigering van Mordechai was Godvrezend, en aangenaam voor God die het verboden had om een mens Goddelijke eer te bewijzen. In de apocriefe boeken staat beschreven dat Mordechai zich bij zijn weigering op God beriep. Zijn gebed zou de volgende uitspraken bevatten: ‘ Heere God U weet dat ik niet uit minachting, hoogmoed, zucht naar roem of andere duistere gevoelens geweigerd heb om voor Haman te buigen. Voor het welzijn van Israël had ik graag zijn voeten gekust, maar ik wilde niet de eer van mensen boven de eer van God stellen. Bovendien wilde ik niemand hoger eer bewijzen dan de God van hemel en aarde. ‘ 

Deze woorden worden nog begrijpelijker wanneer je je bedenkt dat Jahweh een eeuwige oorlog over de Amalekieten afgeroepen had. ( Exodus 16 : 17 /  Deut. 25 : 17 ) Maar Haman van zijn kant had geen boodschap aan de God van Israël, en al helemaal niet aan Mordechai en zijn volk. Zijn hart borrelde over van woede en wraakzucht. Haman bedacht dat er geen betere revenge bestond dan de oorlog die Jahweh afgeroepen had te vlug af te zijn door het hele volk van de Joden uit te roeien. 

Haman twijfelde er niet aan of hij zou mensen genoeg vinden die hem zouden helpen om zijn boosaardige plannen ten uitvoer te brengen. Hij ging naar de koning en gaf een valse en kwaadaardige voorstelling van de Joden. Hij deed zijn uiterste best om de koning te laten geloven dat de Joden een verachtelijk volk waren en dat ze als vluchtelingen en vagebonden overal overlast en ergernis veroorzaakten. Mordechai schilderde Ahasveros in vlammenden bewoordingen voor ogen dat de Joden een gevaarlijk volk waren met eigen wetten en regels. Ze waren zo dwars dat ze zich absoluut niet naar de reguliere wetten van het koninkrijk van de Meden en Perzen schikten. Daarom waren het zonder meer staatsvijanden aldus Haman. 

Mordechai wist dat er velen waren die een grote hekel hadden aan de Joden. HIj maakte handig gebruik van dit gegeven en stelde de koning voor om wetten uit te vaardigen die de Joden van de aardbodem zou wegvagen. De gewiekste Mordechai liet het voor komen dat hij zoveel van zijn vaderland en van de koning hield dat hij er zelfs een schat aan zilver voor over had om dit gevaar voor de koning af te wenden. Hij beloofde de schatkist tienduizend talenten zilver zwaarder te maken. Dit geld wist hij aanwezig onder de vaak rijke Joodse handelaren die de bevolking telde. 

Ahasveros hoorde het relaas van zijn vertrouwenspersoon aan. Hij was zo onder de indruk van Haman dat hij direct met zijn voorstel instemde. Hij gaf Haman zonder nadenken volmacht om met de Joden te doen wat hij wilde. De schat aan zilver interesseerde hem niet, hij bood Haman zelfs nog tienduizenden talenten extra. 

Het borrelde van intrige, verraad en rivaliteit aan het hof van Ahasveros. Daartussen Ester en Mordechai, de parels van grote waarde. Hun leven liep gevaar. Maar boven alle intriges stond de Heere, de God van hemel en aarde. Zonder Zijn wil zou er geen haar van hun hoofd vallen. 

2 responses to “Ester 3 : 5 – 11

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *