Ester 3 : 1 – 4

In het paleis werkte een man die Haman heette. Hij was een zoon van Hammedata, uit de familie van Agag. Op een dag gaf koning Ahasveros hem een hoge functie. Hij maakte Haman de belangrijkste minister in het paleis. Elke keer als Haman voorbij kwam, knielde iedereen. En iedereen boog diep voorover. Dat moest van de koning. Maar Mordechai knielde niet. De hoge ambtenaren bij de ingang van het paleis vroegen hem: ‘ waarom doe je niet wat de koning zegt? ‘ Mordechai luisterde niet. Maar ze vroegen het elke dag weer. Toen zei Mordechai: ‘ Ik kniel niet voor Haman omdat ik een Jood ben. ‘ Dat gingen de hoge ambtenaren tegen Haman zeggen. Ze dachten: ‘ misschien gaat Mordechai dan toch knielen. ‘ ( Ester 3 : 1 – 4 ) 

Je zou denken dat de auteur van het boek Ester nu verder uit zou wijden over de coupe die Mordechai had weten te voorkomen.  Maar het verhaal krijgt een totaal andere wending. De schijnwerpers worden verzet en op een duistere figuur gericht, een zekere Haman. Haman was een Agagiet die afstamde van het volk van de Amalekieten. Amalek was een kleinzoon van Ezau. Het volk Amalek was de aartsvijand van Israël in de tijd van het boek Exodus. Ze waren nomaden en woonden in het noordelijk deel van het Sinaï schiereiland, ook wel het Zuiderland genoemd. Een maand na de uittocht van het volk Israël uit Egypte vielen de Amalekieten Israël in de rug aan. Ze waren de eerste vijanden die het volk in de woestijn tegenkwam. In Exodus 17 lees je de bijzondere overwinning van Israël over het volk van Amalek. 

‘ Toen de Israëlieten in Refidim waren, werden ze aangevallen door de Amalekieten. Mozes zei tegen Jozua: ‘ Kies een aantal mannen uit. Met hen moet je morgen tegen de Amalekieten gaan vechten. Ik zal dan zelf boven op die heuvel gaan staan, met in mijn hand de stok die God mij gegeven heeft. ‘

Jozua deed wat Mozes gezegd had en vocht tegen de Amalekieten. Mozes ging de heuvel op, samen met Aäron en Hur. Mozes hield zijn stok omhoog. Zolang hij dat deed, waren de Israëlieten het sterkst. Wanneer hij zijn arm liet zakken, waren de Amalekieten het sterkst. Maar Mozes` armen werden moe. Daarom pakten Aäron en Hur een grote steen waarop Mozes kon gaan zitten. Aäron en Hur gingen naast hem staan om zijn armen te ondersteunen. Daardoor kon Mozes zijn armen omhoog houden totdat de zon onderging. Zo kon Jozua het leger van de Amalekieten verslaan. 

De Heer zei tegen Mozes: ‘ Jullie moeten goed onthouden wat er gebeurd is. Daarom moet je het opschrijven. En zeg tegen Jozua dat er niets van de Amalekieten zal overblijven. Ik zal ervoor zorgen dat ze door iedereen vergeten worden. ‘ Toen bouwde Mozes daar een altaar. Hij noemde het: ‘ De Heer heeft mij de overwinning gegeven. ‘ En hij zei: ‘ Er zal altijd oorlog zijn tussen de Heer en de Amalekieten. Want de Amalekieten hebben zich tegen de Heer gekeerd. ‘ ( Ex.17 : 8 – 15 )Uit dit volk stamde Haman. Hij was dus erfelijk belast met een haat tegen het volk van Israël. 

Het was geen toeval dat juist Haman door Ahasveros werd bevorderd en een belangrijke functie aan het hof aangeboden kreeg. Haman viel bij Ahasveros in de smaak. De koning maakte hem tot zijn gunsteling en vertrouwenspersoon. Hij werd eerste minister in het kabinet van Ahasveros. Het verloop van de gebeurtenissen zou laten zien dat Haman geen man van eer of gerechtigheid was en geen blijk zou geven van werkelijke moed of van rechtvaardig beleid. Haman was trots en wraakzuchtig. Een gevaarlijk man op een cruciale positie in het grote Perzische rijk. 

Alle koninklijke functionarissen aan het hof bogen voor Haman. De koning had zijn onderdanen geboden om zijn vertrouwenspersoon op die manier te eren. De enige man aan het hof die niet aan dit eerbetoon meedeed, was Mordechai. De intelligente Mordechai moet de geschiedenis van zijn volk goed gekend hebben. Waarschijnlijk wist hij van de woorden die Heere tegen Mozes gesproken had. 

Het viel natuurlijk op: een hele hofhouding die boog en daartussen een man die recht overeind bleef staan. Iedereen vond het vreemd, sommige collega`s spraken Mordechai op zijn houding aan. Verschillende keren werd Mordechai gevraagd waarom hij niet boog en uiteindelijk vertelde Mordechai zijn collega`s dat hij een Jood was. De tam-tam aan het hof gaf dit door, en het nieuws over Mordechai kwam Haman ter ore. Elke keer als Haman voorbij liep viel hem nu de onbuigzame houding van die ene man op. Het irriteerde hem mateloos. Hier gingen de woorden van Jahweh in vervulling. Omdat Amalek de hand had durven opheffen tegen de Heere zou de Heere strijd voeren tegen Amalek in alle komende generaties. 

Strijdbaar en onwrikbaar stond daar een nazaat van Mozes in de poort. Hij voerde ver van Jeruzalem verwijderd de oorlog die de Heer had voorzegd.
De Heere volvoert altijd Zijn raad, en vergeet niet één van de woorden die Hij gesproken heeft. 

 

One response to “Ester 3 : 1 – 4

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *