De God van redding!

De theologie van het kruis
Leven wij, dan leven wij voor de Heere; sterven wij, dan sterven wij voor de Heere. Daarom, wij zijn van de Heere of we nu sterven of leven.
ROMEINEN 14:8

“Dr. M. Luther, bezocht op 18 juli 1536, na de prediking een zwakke, zeer eerbare, uit Leipzig verdreven vrouw, die vanwege de dood van haar man, die verdronken was, door zo’n droefheid en smart werd overvallen, dat zij daardoor op één nacht vijftien keer buiten kennis raakte. Toen nu Dr. Martin Luther haar bezocht, zei ze: Ach, mijnheer Doctor, waaraan zou ik dit bij u verdiend hebben? D. M. antwoordde: Het is allang verdiend; Christus Jezus heeft met Zijn bloed veel meer gedaan en verdiend!
 Daarna vroeg hij haar hoe zij het maakte. En vermaande haar dat zij de wil van God gewillig en geduldig zou dragen, die hén gewoonlijk tuchtigt, die Hij uit alle macht van de satan en de gruwelen van het pausdom heeft verlost. Een dochter van de Vader draagt de tuchtiging: is het tot de dood of is het tot het leven; wij zijn van de Heere of we nu sterven of leven. De Heere zegt Zelf: ‘Ik leef en u zult leven’. Hij heeft u een zeer kostbaar juweel gezonden, namelijk om te lijden. Hij zal u ook kracht geven, het te kunnen dragen. Bid daarom!”
 Daarop antwoordde zij: Ik ben weltevreden; God bedoelt het goed en Vaderlijk met mij, dat Hij mij ook zou willen geven om met geduld dit kruis te dragen! Toen D. M. afscheid nam, zegende hij haar en gaf haar aan de lieve God in bewaring.
[Tischreden, A. Lauterbachs und H. Wellers Nachschriften (1537) WATR 3, Nr. 3612 c]

Romeinen 14 : 1 tot en met 15 : 13 behandelt de verhouding tussen ‘ sterken ‘ en ‘
zwakken ‘ binnen de christelijke gemeente. De vermaningen van de apostel
betreffen hoofdzakelijk de ‘ sterken ‘ en roept de diverse gelovigen op om rekening
met elkaar te houden.
Paulus sneed concrete problemen aan die zich binnen de gemeente van Rome
voordeden. Sommige leden – die nog niet zo sterk verankerd waren in het geloof –
dachten dat ze zich nog aan de ceremoniële voorschriften en wetten van het oude
Jodendom moesten houden. Te denken valt hierbij aan voedselwetten ( vs 2 ), en
speciale dagen ( vs 5 ). Paulus categoriseerde deze groep mensen als ‘ zwakken ‘ in
het geloof, omdat ze de neiging hadden hun broeders en zusters in het geloof te
veroordelen. Gemeenteleden met een sterker verankerd geloof die hadden
begrepen dat ze in Christus niet meer aan deze wetten gebonden waren, lieten zich
maar weinig gelegen liggen aan de bedenkingen van de zwakken. Ze betoonden
hen weinig liefde en keken zelfs laatdunkend op hen neer. ( vs 3 )
Paulus was het daar niet mee eens, en riep de sterken op om de zwakken voluit te
aanvaarden, zoals God dat had gedaan. ( vs 1, 3 ) Alleen de Heere is Meester en
Rechter over iedereen ( vs 4, 9 – 12 ). Het stond voor Paulus als een paal boven
water dat alle gelovigen uit de gemeente van Rome vol overtuiging de Heere
dienden( vs 5 – 8 ). In Christus Jezus waren ze elkaars broeders en zusters
geworden.
‘Wie bent u dat u een oordeel velt over uw broeder of zuster? ‘ vroeg Paulus
vorsend. Het woord diakrisis betekent zoveel als onderscheiding, beoordeling. Het
kan daarbij om een innerlijke of uitgesproken beoordeling gaan. Paulus drukte met
zijn betoog uit dat de gemeenteleden van Rome elkaar moesten aanvaarden zonder
de motieven van elkaars gedrag te beoordelen, en zonder te redetwisten over
verschillende meningen.
Het verschil in geloof kwam toentertijd meer tot uiting in het voedsel dat de mensen
nuttigden. Terwijl de zwakken alleen plantaardig voedsel aten, gebruikten de sterken
ook voedsel dat van dierlijke oorsprong was. De invloed van de Joodse spijswetten
had zijn kracht nog niet verloren. In de Romeinse vleeshallen werd ook het vlees van
dieren verkocht dat aan de goden geofferd was. Begrijpelijk dat gelovigen zich in een
dilemma verwikkeld voelden, en niet wisten of ze dit vlees wel mochten kopen en
eten. Je wist nooit met zekerheid of het om gewoon vlees ging, of om offervlees. De
meeste christenen voelden zich in Rome zoals Daniël zich in Babel had gevoeld, en
wezen daarom dierlijk voedsel af. Ze hielden zich veiligheidshalve aan plantaardig
voedsel zoals Daniël en zijn vrienden dat hadden gedaan ( Dan. 1 : 8, 12 ).Maar
christenen uit het heidendom afkomstig begrepen daar niets van. Geen wonder dat
er in de gemeente van Rome onenigheid over deze verschillende opvattingen
heerste. Het was moeilijk voor Paulus om hierin wijze woorden te spreken die recht
deden aan iedereen, en voor rust zorgden in de gemeente.
Paulus deed zijn uiterste best om de gelovigen te overtuigen van het feit dat joodse
gelovigen hun heidense, tot geloof gekomen medemensen niet mochten veroordelen
( vlg. Matth. 7 : 1 ) omdat ze zich niet aan de spijswetten hielden. God had de
heidenen tot Zijn volk gemaakt. ( Rom. 9 : 24 / Efeze 2 : 12, 13, 19 / 3 : 6 ) Ze waren
door de weg van het geloof in Christus gerechtvaardigd. ( Rom. 3 : 29, 30 / 9 : 30 )
Onenigheid onstond ook over het houden van de sabbat. Het houden van de sabbat
was in de heidense wereld niet mogelijk, en werd door gelovigen met een heidense
achtergrond niet als een verplichting opgevat. De mensen waren ook nog niet zover
dat ze de zondag als de dag van de Heere respecteerden en heiligden. Ook dit
heikele punt sneed Paulus aan, hij wilde regels geven die voor eenheid in plaats van
voor conflict zorgden. Daarom zei hij dat iedereen in zijn eigen geweten ten volle
verzekerd moest zijn dat het goed was wat hij of zij deed. ( Rom. 14 : 5, 6 )
Zekerheid in het eigen denken heeft te maken met de motivatie die daar achter
steekt. Is datgene wat je doet voor God gedaan, of juist gelaten? Dan is het goed. Je
kunt God niet danken voor iets waarvan je niet overtuigd bent dat het goed is. Een
oprecht dankgebed komt uit het hart en de mond van een oprechte gelovige, omdat
hij weet dat hij de juiste motivatie aan zijn handel en wandel verbonden heeft.
Het leven van een gelovige staat in dienst van God. ( Rom. 6 : 13, 22 ) Dit leven
staat in contrast tot een zelfzuchtig leven dat helemaal gericht is op eigenbelang. (
zie ook 2 Kor. 5 : 15 ) Maar ook het sterven van een gelovige staat in dienst van
God. Zelfs in ons sterven blijven we het eigendom van onze trouwe Borg en
Zaligmaker, Jezus Christus.
Dat is geweldig mooi en heerlijk om te weten. Wat er ook met ons gebeurt, we zijn
en blijven van de Heere Jezus. We leven en sterven voor Hem omdat we Zijn
eigendom zijn, blijvend met Hem verbonden. ( 1 Tess. 5 : 10 )
Ons leven hier op aarde is een leven in de hoop. Zoals er boven dit citaat staat,
brengt het kruisdragen met zich mee. We zien nog niet zoveel van het eeuwige
leven. Hoewel Jezus het voor ons verworven heeft, moeten wij het doen met de
hoop die in ons is. Wat je hoopt, dat zie je niet. Het rijk van God ligt verborgen zoals
de schat in de akker, achter de dood, en achter de leugens van de satan. Daarom
voelen we ons vaak aangevochten en bevinden we ons in een schaduwgebied.
Luther wist daarover mee te praten, daarom bracht hij een boodschap die
aangevochten harten kwam troosten met het heil dat bij God aanwezig is. Luther
beschreef de eindigheid van ons leven heel beeldend toen hij stelde dat we eigenlijk
altijd met het linkerbeen in het graf staan, maar dat we niet mogen vergeten dat we
met het rechterbeen opgewekt zijn uit de doden. Dat is omdat Christus is opgestaan.
Dit mag ons bemoedigen in dagen van rouw of verdriet, wanneer we dierbaren
moeten wegdragen naar het graf. Christus is onze Toekomst, en onze eeuwige
Thuiskomst.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *