De derde zendingsreis ( 15 )

Handelingen 26 

Paulus gaf aan dat hij zijn verdediging wilde beginnen: “ Koning Agrippa, er zijn veel beschuldigingen tegen mijn persoon ingebracht. Toch ben ik onschuldig. U biedt mij de gelegenheid om mezelf te verdedigen. U kent alle Joodse wetten en weet van het conlict tussen het Sanhedrin en mijn persoon. De Joden hebben mij in Jeruzalem op zien groeien.  Ze weten dat ik me aan de wet gehouden heb. Ik behoorde tot de groepering van de farizeeën, de meest extreme gelovigen van onze godsdienst.” Het was een feit dat Agrippa als proseliet een deskundige was inzake alle gebruiken die de Joodse godsdienst kende.

Paulus zei : “ Jahweh deed onze voorouders een belofte over de opstanding van de mensheid uit de doden. Alle Joden geloven deze beloften, het is de reden dat ze God overal en te allen tijde dienen. Gods belofte is het fundament van mijn leven. Hoewel ik Jezus en Zijn aanhangers vroeger verafschuwd heb en ze uit hoofde van mijn functie intensief vervolgde. “ Het is opvallend dat Paulus geen enkel detail van zijn levensbeschrijving oversloeg om bij Agrippa in een goed blaadje te komen, of de publieke opinie te beïnvloeden. Hij was zo met Christus vergroeid dat hij liever in de gevangenis om zou komen dan de waarheid geweld aan te doen. Daarbij bood deze gelegenheid hem de kans aan te tonen dat hij door een Goddelijke tussenkomst christen geworden was. Het is opvallend hoe Paulus zonder dat zijn enthousiasme ook maar enigszins bekoelde, zijn toehoorders het verhaal van zijn wonderlijke bekering en roeping deed. Het publiek zag zich de verschijning van Jezus Christus en de uitleg van de Goddelijkheid van Zijn persoon beeldend voor ogen gesteld. Paulus gebruikte zijn kennis van de oude profetieën, de retoriek en de geschiedenis om duidelijk te maken waarom de Joden hem gevangen genomen hadden. 

“ En dus vertel ik iedereen nog steeds over de Messias. Mozes en de profeten hebben al voorzegd wat er met Hem gebeuren zou. Ik vertel precies hetzelfde. De Messias zou lijden en sterven, en als Eerste uit de doden opstaan. Hij wilde alle volken ter wereld een boodschap van totale redding brengen. “ besloot hij zijn betoog. 

Op dat moment greep Festus in. “ man, je bent jezelf niet. Je grote geleerdheid heeft je hersens gekraakt! “ riep hij beledigd. De gedachte dat Romeinen – die als onoverwinnelijk te boek stonden – redding nodig hadden beviel hem helemaal niet. De discussie ging de verkeerde kant uit, en moest direct gestopt worden. Zo hebben vijanden van de dienaren van Christus altijd wel het een en ander om hen een verwijt te maken. Daarom werd Paulus ervan beschuldigd een dwaas te zijn. Johannes de Doper en Christus werden eerder al voorgesteld als mensen die door de duivel bezeten waren, als gekken. Het is een niet te weerleggen feit dat de oude vijandschap tussen de satan en een kind van God zich door de hele Bijbel heen op de meest ongelegen ogenblikken manifesteerde. 

Rustig maakte Paulus zich vrij van deze hatelijke beschuldigingen. “ Geachte Festus, ik ben niet gek. Ik weet wat ik zeg, en het is de waarheid. Vraag het maar aan koning Agrippa. Veel van deze dingen zijn gewoon in Jeruzalem gebeurd, dus de koning weet er alles van. U gelooft toch in de profeten koning? Ik weet dat dit zo is. “ 

Maar Agrippa – die er helemaal geen zin in had om voor Jezus uit te komen en zich tot een spottend doelwit van zijn landgenoten te maken – verloochende de Heere Jezus. 

“ Straks zeg je nog dat ik een christen ben! “ riep hij smalend. Hij zag Jezus niet in zijn dierbaarheid en noodzakelijkheid, hij zag niets van Hem. 

Ondanks de scheldwoorden bleef Paulus beleefd. “ Ik bid tot mijn God dat u een christen wordt. Want ik wil niets liever dat u en iedereen die mij hoort net zo zal worden als ik. Maar dan zonder handboeien. “ 

Indrukwekkend. Uitgescholden, vernederd, gefolterd, en belachelijk gemaakt stond het evenbeeld van Zijn Meester voor zijn goddeloze rechters. Niemand had er erg in dat de genadedeur van het koninkrijk van God even wagenwijd had opengestaan. Het gouden moment was voorbij en zou zich nooit meer herhalen. 

De koning, Festus, en Bernice stonden op. Dit was het teken dat het hele gezelschap volgens de etiquette volgen moest. Ze verlieten de zaal en zeiden tegen elkaar: “ Paulus heeft niets gedaan waar je de doodstraf voor krijgt en de gevangenis in moet. “ 

Agrippa zei tegen Festus:  “ Die man had al vrij kunnen zijn als hij zich niet op de keizer beroepen had. “ 

In Gods raad was het besluit gevallen dat Paulus in Rome werk voor de Heere zou moeten verrichten. Festus besloot dat het tijd was om hem naar Italië te sturen. Hij gaf Paulus over aan één van zijn officieren, een zekere Julius. Samen met allerlei andere gevangenen begon hij opnieuw aan een verre reis. De reis naar Rome. 

Vrienden van Paulus gingen met hem mee. Met z’n allen gingen ze aan boord van een schip dat naar de stad Adramyttium zou varen, een stad in Turkije. Opnieuw zorgde de Heere ervoor dat er iemand bij Paulus was, een zekere Aristarchus. Hij kwam uit Tessalonica, een stad waar Paulus bijzondere geestelijke groei geconstateerd had. “ Vrienden ik dank God altijd voor jullie. Ik kan niet anders, want er is een goede reden voor. Jullie geloof wordt namelijk steeds sterker, jullie gaan steeds meer van elkaar houden. Ik spreek in alle kerken vol trots over jullie. Jullie houden het vol om te blijven geloven, ook al worden jullie vervolgd, en ook al zijn jullie in moeilijkheden. “  had hij hen geschreven. ( 2 Tess. 1 : 3, 4 ) Een leerling van Jezus uit Tessalonica, met deze geest, dat was precies wat Paulus nodig had om alles vol te houden. Hier zie je Gods tere zorg en toewijding aan elke sterveling die voor Zijn Naam moet lijden! 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *