2 Thessalonicenzen 3

Het laatste hoofdstuk uit de Thessalonicenzenbrief bevat een aantal instructies over hoe het leven als christelijke gemeente eruit moet zien Er staat een oproep om te bidden in , een aansporing om standvastig en gehoorzaam aan God en aan de voorschriften van Paulus te blijven, en een opdracht om te blijven werken. Bij dit laatste punt, dat Paulus al eerder genoemd had stelt hij de apostelen tot een voorbeeld. Deze mannen verwaarloosden hun werk niet, ze bleven financieel onafhankelijke mannen die naast hun dagelijks beroep hun geestelijke missie volbrachten. 

Met het woord ‘ toi lopen’ leidt Paulus het laatste van zijn brief in. Hij vraagt de gemeente om voor hem en zijn medewerkers te bidden. Hierbij heeft hij niet zozeer zichzelf, als wel de verkondiging van het Evangelie op het oog. Toch kan het niet anders, of hij is van de gedachte uitgegaan dat de vrienden aan wie hij zijn brief richtte hem niet zouden vergeten. Hoe zouden ze iemand kunnen vergeten die zelf elke gemeente altijd in zijn gebeden noemde? Zo wordt de gemeenschap der heiligen in stand gehouden.  De verkondiging is ‘ het Woord van God’ en ze wordt hier beschreven als een bijzondere, bijna persoonlijke kracht. Deze verkondiging heeft haast, alles moet daarvoor wijken. De oproep tot gebed heeft ongetwijfeld ook te maken gehad met de spanningen die binnen de gemeente van Korinthe aan de orde waren. Paulus heeft terwijl hij deze woorden schreef waarschijnlijk gedacht aan de Joden in Korinthe die zich erg tegen hem verzetten ( Handelingen 18 : 12 ) Hij vroeg dan ook gebed voor de  succesvolle proclamatie van het Evangelie. Hij verlangde ernaar dat het Woord van God glorieus veld mocht winnen en zich razendsnel zou mogen verspreiden. 

Het Woord van God zou verheerlijkt worden door de blijde aanvaarding van de toehoorders. Daardoor  zou God Zelf immers verheerlijkt en geprezen worden! 

Paulus bad ook om de veiligheid van zijn medewerkers. Dat was geen overbodige luxe, want de felle opstanden van de Joden gaven wel aan dat er grote tegenstand was, en dat er veel hoorders waren die zich er niet voor schuwden om alle middelen te baat te nemen om Paulus en zijn team te weerstaan.

Doordat Paulus de eigenschappen van God de Vader ook toeschreef aan de Zoon legde hij opnieuw de nadruk op de eenheid die er bestond tussen de Vader en de Zoon. 

Nadat Paulus zijn vraag om gebed beëindigd had, schreef hij verder op een bemoedigende toon. Hij verzekerde zijn lezers dat ze beschermd zouden worden tegen de boze machten, die niet van God vandaan kwamen. Paulus geloofde dat de bekering van de gemeenteleden van Thessalonica door de Heere tot stand gebracht was. Daarom kon hij ook vrijmoedig schrijven dat de Heere Zijn werk in hen zou voltooien. ‘ Moge de Heer uw wil en verlangen richten op de liefde voor God en de standvastige trouw aan Christus ‘ Hij is niet de reden voor ons geluk alleen maar Hij is Zelf ons geluk, en ons Deel’ schreef hij. 

Volharding, standvastigheid, geduld, maar ook verwachting en hoop  bad hij alle gemeenteleden toe. Al hun hoop moest verankerd zijn in de liefde van God en het uitzicht op de wederkomst van Christus. 

Waarschijnlijk was Paulus er niet helemaal gerust op dat de gemeenteleden zijn ethische voorschriften in acht namen, want hij riep de mensen ertoe op om dat te blijven doen. Het betrof zaken die hij zelf gezegd, geschreven en voorgeleefd had. 

Paulus had als levensprincipe dat hij zijn nieuwgestichtte gemeenten het Evangelie bracht zonder daar een salaris voor terug te verlangen. Hij werkte met zijn eigen handen voor zijn dagelijks brood.In de praktijk betekende dat natuurlijk een extra belasting, moeite en zorg. Paulus moet lange werkdagen gemaakt hebben. Hij had zijn baan, en daarnaast nog een dubbele verantwoordelijkheid. Heel soms kreeg hij een financiële ondersteuning ( de gemeente van Filippi ). Het was heel normaal geweest dat Paulus een salaris zou hebben ontvangen, toch heeft hij hier welbewust van afgezien. Hij deed dat om geen belemmering  op te werpen, en zoveel mogelijk mensen voor het Evangelie in te winnen. 

‘ Wij hebben onszelf gegeven ‘ schreef Paulus. We kunnen uit deze woorden opmaken dat hij en zijn medewerkers zich opgeofferd hebben voor dit Doel. 

Je kunt je afvragen waarom Paulus zo de nadruk gelegd heeft op dit aspect van zijn prediking. Waarschijnlijk heeft het te maken gehad met de liefdemaaltijden die toentertijd gehouden werden, en waarvan helaas regelmatig misbruik werd gemaakt. Er waren mensen binnen de gemeente die niets nuttigs deden, maar toch van alle goede en mooie faciliteiten die het gemeentezijn te bieden had gebruik maakten. Door meer welvarende Grieken werd arbeid overigens als iets onbetamelijks beschouwd. Ze lieten zoiets minderwaardigs graag aan hun slaven over. Paulus kan volgens sommige verklaarders ook wel mensen op het oog hebben gehad die zichzelf zo geestelijk vonden dat ze niet meer aan gewoon werken hoefden te denken. ( libertinische gnostiek ). Deze mensen geloofden niet in een lichamelijke opstanding, en hadden totaal geen waardering voor aardse verantwoordelijkheden. Ze liepen gewoon de hele dag met hun hoofd in de wolken. 

Paulus was ongerust dat deze attitude de andere gelovigen ook aan zou steken, daarom waarschuwde hij daartegen. Hij riep iedereen op om goed te blijven doen, ongeacht de uitkomst van de goede werken die men voor elkaar deed. 

Na al deze strenge woorden dacht Paulus het er wel bij te kunnen laten. Mochten er toch nog mensen ongehoorzaam zijn, dan moesten de gemeenteleden ze laten voor wie ze waren. Ze mochten niet meer met hen eten en omgaan. De bedoeling van dit alles was dat alle zondaars en ongehoorzamen zich beschaamd zouden gaan voelen over deze maatregelen, en tot inkeer zouden komen. 

Het was moedig van Paulus om al deze zaken bij de horens te vatten, en bij de naam te noemen. Het was immers heel goed mogelijk dat mensen die de tucht betrof, zich verbitterd van de gemeente af zouden keren. Dat was wel het laatste wat Paulus wilde. Hij riep er dan ook toe op om ten allen tijde elkaar lief te blijven hebben. Als laatste punt wenste hij alle gemeenteleden vrede toe. Vrede te allen tijde en op elke denkbare manier. 

God Zelf is de Bron van alle vrede. Vrede verspreiden, dat kunnen alleen mensen die zelf vrede in hun hart omdragen. Vrede met God. Vrede – shalom – is niet alleen de afwezigheid van oorlog, maar het is tegelijkertijd het aanwezig zijn van vrede als het totale welbevinden van de mens. Wij moeten in dit verband niet alleen denken aan vrede binnen de christelijke gemeente, maar ook aan vrede tussen de onderscheiden bevolkingsgroepen. In deze situatie met Paulus betekent het dat de  vervolging door heidenen en joden gestaakt werd.

Paulus dicteerde zijn brieven dikwijls aan zijn secretaris. ( Romeinen 16 : 22 ) Daarna zette hij zelf nog een persoonlijke groet onder de brief. Soms schreef hij zijn brieven eigenhandig.. 

De brief aan de Thessalonicenzen wordt besloten met een vrede-groet aan iedereen, vriend en vijand, verzoend of niet, Paulus had vrede en wenste iedereen vrede toe. Hij wenste zijn lezers toe dat Gods tegenwoordigheid altijd met hen zou zijn. Iets anders hadden ze niet nodig voor hun veiligheid en geluk. Hij wenste zijn lezers ook de genade van de Heere Jezus Christus toe. Door Zijn genade aan ons verleend krijgt onze bede om vrede met God zeggingskracht. 

Het is duidelijk: vredestichters moeten zelf vrede met God in hun hart hebben. Zij alleen zijn in staat om veel te verdragen, want God Zelf staat hen bij. De Bijbel kent daar veel prachtige voorbeelden van. Het allermooiste voorbeeld is Jezus Christus. 

 

One response to “2 Thessalonicenzen 3

  1. Artificial intelligence creates content for the site, no worse than a copywriter, you can also use it to write articles. 100% uniqueness, scheduled posting to your WordPress :). Click Here:👉 [Link deleted]

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *