De genezing van een verlamde 2:1-12 (Mat.9:1-8; Luc.5:17-26)
Terwijl in Marcus 1 hoofdthema de groei van Jezus’ populariteit door Zijn gezagvol prediken en het verrichten van wondertekenen was, nu komt daar een ander thema bij. Tot Marcus 3:6 heeft Marcus verteld over een groeiend gemor bij de Joodse leiders, die het optreden van de Heere Jezus om diverse redenen afkeurden.
Na Zijn rondgang door Galilea (zie Mar.1:39) keerde Jezus terug naar Zijn eigen stad, Kafarnaüm (vgl. Mat.9:1). De tekst maakt duidelijk dat Hij niet openlijk terugkeerde(vgl. Mar.1:45). Pas na enige tijd hoorden de mensen dat Hij er weer was.

De uitdrukking’ eis oikon’ of’ en oikōi’(in huis) kan onbepaald worden opgevat (in een willekeurig huis), maar ook bepaald (in zijn huis of het huis van Petrus zie Mar.1:29).
Zodra de inwoners van Galilea hoorden dat Jezus weer teruggekomen was, stroomden ze in groten getale naar Hem toe om opnieuw naar Hem te luisteren. In hun hart hoopten ze dat er opnieuw wonderen zouden gebeuren. Voortdurend kwamen er grote drommen mensen naar Hem toe. De woning waar Jezus was binnengegaan puilde uit, en het duurde niet lang of er kon niemand meer bij.

Met deze ‘deur’ kan de deur van het huis zelf bedoeld zijn; dan is ‘de ruimte bij de deur’ de binnenplaats (vgl. Mar.14:68). Maar het is ook mogelijk dat met deze ‘deur’ de poortdeur van de straat naar de binnenplaats wordt bedoeld (vgl. Mar.11:4); dan is ‘de ruimte bij de deur’ op te vatten als de ruimte op straat voor die poort.
Tot al de aanwezige mensen sprak de Heere Jezus ‘het woord’. Hij vertelde de mensen over de boodschap van heil, over het Evangelie van Gods Koninkrijk (zie Mar.1:1,14-15,38, vgl. Mar.4:14-20,33).
Toen Jezus midden in Zijn preek gekomen was, naderden er een vijftal mensen. Het waren vijf mannen. Eén van hen was verlamd. Hij werd gedragen door vier vrienden. Uit vers 4,9,11 en 12 bleek dat de arme zieke op een matras meegedragen werd, een soort slaapmatje zouden wij zeggen. Er werd niet gezegd hoe lang de man al verlamd was, en of de verlamming over zijn hele lichaam, of gedeeltelijk was, Hij kon in elk geval niet lopen.

De mannen zagen de grote menigte. Ze begrepen dat het niet zomaar zou lukken om in de nabijheid van de Meester te komen.Want alle mensen wilden het liefst zelf zo dicht mogelijk in Zijn nabijheid komen. Er zou niemand zomaar opzij gaan om hen door te laten.
In Israël hadden de meeste huizen een plat dak en aan de buitenkant van het huis was een trap die naar de bovenkant van het huis leidde. De vier dragers bedachten zich geen ogenblik en gingen via de trap het dak op. Daar aangekomen legden ze het slaapmatje even aan de kant om een gat in het dak te maken, precies op de plaats waaronder Jezus stond te preken. De daken bestonden uit balken met daarop takken die weer afgedekt waren met klei als een soort tegels. Sommige verklaarders denken dat het om een overkapping ging die boven de binnenplaats van het huis gebouwd was. Die was natuurlijk nog makkelijker open te breken dan het dak.

De aandachtig luisterende menigte hoorde van alles boven hun hoofden gebeuren. Geklop en gedoe. En ineens het felle daglicht, en de hoofden van vier mannen. En alsof dat nog niet gek genoeg was, kwam er een matras naar beneden zakken die aan vier hoeken vastgebonden was met touwen. Onder ademloze stilte kwam de man aan de voeten van Jezus terecht. Heel bijzonder! De preek werd onderbroken.
Er is nog geen woord gezegd over de verlamde man, de man zelf heeft ook nog niets gezegd. De verlamde zei trouwens in heel deze geschiedenis geen woord. Toch was de situatie voor de Heere Jezus volkomen duidelijk. Hij doorgrondde deze vijf mensen (vgl. Joh.2:25). Marcus zei dat Jezus ‘hun geloof zag’, hun vertrouwen in Hem dat Hij iets aan de situatie van de verlamde kon doen. Gedreven door dat geloof hebben zijn vrienden net zo lang doorgezet tot de verlamde zo dicht mogelijk bij Jezus was.
Jezus begon weer te praten en noemde de verlamde ‘kind’. Met deze woorden sprak Hij Zijn ontferming en Zijn liefde uit (vgl. Mar.1:41). Waarschijnlijk had iedereen nu verwacht dat Jezus een woord van genezing zou uitspreken, maar dat deed Hij niet. Hij sprak woorden van vergeving van zonden uit. Blijkbaar waren in de ogen van Jezus de zonden van deze man een groter probleem dan zijn ziekte. Dit betekent echter niet dat de verlamming van de man een direct gevolg was van persoonlijke zonden (vgl. Joh.9:2-3, zie ook vs.9). De werkwoordsvorm ap-heōntai (zij zijn vergeven) maakt duidelijk dat Jezus deze vergeving namens God de Vader uitsprak. Zo kwam tot uiting dat vergeving van zonden een hoofdzaak is van het Evangelie van Jezus Christus (zie Joh.1:29).

Nu bleek dat er ook schriftgeleerden in het huis waren. Schriftgeleerden waren mannen die tot taak hadden de wet te bestuderen en die aan het volk te onderwijzen en uit te leggen. De reden dat ze waren gekomen was waarschijnlijk om zich op de hoogte te stellen van Jezus’ leer, maar vooral ook om te kijken of Hij niet iets zei of deed dat tegen de wet inging (vgl. Joh.8:6). Voor dit doel waren er zelfs schriftgeleerden uit Judea en Jeruzalem overgekomen (zie Luc.5:17). Hier begon dan ook hun frustratie ten aanzien van Jezus’ woorden en handelen. Een frustratie die steeds verder groeide en steeds duidelijker tot uitdrukking zou gaan komen. Nu was er sprake van dat ze ‘overlegden in hun harten’ in Mar.2:16 klaagden ze tegen de discipelen; in Mar.2:18,24 uitten ze hun beklag tot Jezus Zelf; in Mar.3:5 is sprake van verharding van hun hart ten opzichte van Jezus en in Mar.3:6 van het begin van hun plan om Jezus te doden. Een groeiende haat dus! Ze vonden Jezus maar een lasteraar. Volgens de schriftgeleerden matigde Jezus Zich aan wat alleen de Heere God kon doen. Daarmee lasterde Hij God, een zonde, waarop de doodstraf stond(zie Lev.24:14-16).
Wist Jezus wat er in de harten van de verlamde en zijn vrienden omging (vs.5.), nu was het Hem ‘in Zijn geest’ (door de Heilige Geest, vgl. Mar.1:8,10,12) bekend wat er in de harten van de schriftgeleerden omging, ook al hadden ze daarover nog met geen woord gesproken (vgl. Joh.2:25; Hand.1:24). De Heere Jezus stelde hun innerlijke overleggingen direct ter discussie met Zijn ‘Waarom …?’ Bovendien liet Hij daarmee overduidelijk zien dat Hij hen doorgrondde en hun gedachten door en door kende. Het kennen van gedachten door de Joden werd gezien als een vervulling van de Messiaanse profetie van Jes.11:2.
Als antwoord op de kritische vraag van de schriftgeleerden waarom Hij kon spreken van zondenvergeving, vroeg de Heere Jezus hun wat gemakkelijker was: te zeggen tot de verlamde dat zijn zonden vergeven waren of dat hij moest opstaan en lopen. Het verschil was dat het resultaat van de eerste uitspraak voor de toeschouwers niet waar te nemen en daarom niet controleerbaar was, dit in tegenstelling tot de tweede uitspraak. Vandaar dat de laatste uitspraak voor het oog veel moeilijker leek dan de eerste. Als de Heere Jezus genezing kon bewerken, onderstreepte en bevestigde Hij daarmee dat Hij ook bevoegd was tot het vergeven van zonden (zie vs.10).

Het samengaan van uitspraken over ziekte en zonde vind je ook in Ps.103:3 en Jes.53:4-6. Zowel genezing als vergeving wil de Here God schenken (Ps.103:3), in en door de Messias (Jes.53).
Uit de woorden van dit vers blijkt dat de Here Jezus de genezing van de verlamde man gebruikte als een bevestiging van Zijn bevoegdheid om namens God (vs.7) zonden te vergeven. Het woord exousia (hier: volmacht, bevoegdheid) duidt aan dat Hij niet alleen kan, maar ook mag vergeven. Hij heeft zelfs het recht om dat te doen.. Die volmacht, dat gezag kwam eerder al tot uiting door Zijn leer (Mar.1:22), daarna door het uitdrijven van boze geesten (Mar.1:27), vervolgens door het genezen van een zieke (Mar.1:40) en nu door het vergeven van zonden.
Zoals God, die in de hemel is, zonden kan vergeven, zo heeft Hij de Zoon des mensen op aarde volmacht gegeven zonden te vergeven. De naam ‘Zoon des mensen’, die de Heere Jezus voor Zichzelf gebruikt, geeft aan dat Hij méér is dan een mens en een hemelse oorsprong heeft. Het is een titel uit Dan.7:13 waarmee de Messias wordt aangeduid die is gezonden door God de Vader (vgl. Mat.8:20; Joh.5:36). Deze titel gebruikte de Heere Jezus voor Zichzelf in dit evangelie verder nog dertien keer (in Mar.2:28; 8:31,38; 9:9,12,31; 10:33,45; 13:26; 14:21(2x), Mar.14:41,62).
Marcus schrijft nu als mededeling dat de Heere Jezus nu het woord richtte tot de verlamde man. Het is na Zijn woord over zondenvergeving (vs.5) het eerstvolgende en enige wat Jezus tot hem zei. Hij gaf de man drie opdrachten (vgl. Joh.5:8). Alle drie de bevelen waren voor de verlamde man tot nu toe onmogelijk geweest om uit te voeren.
De opdrachten hielden in dat de Heere Jezus de verlamde man heeft genezen of zou genezen op het moment dat hij, in vol vertrouwen op Jezus’ woord, gehoorzaam Zijn bevelen op zou volgen.. Ook al sprak Jezus met geen woord over genezing, toch was het iedereen duidelijk dat Hij dit wel bewerkte, zoals blijkt uit het volgende vers.
De tot dan toe verlamde man gehoorzaamde onmiddellijk Jezus’ bevel (vs.11). Direct stond hij op, waaruit voor iedere aanwezige duidelijk bleek dat de verlamming verdwenen was en dat zijn benen alle kracht hadden ontvangen die nodig was om hem te dragen. Hij pakte zijn matras, waar hij tot dat moment aan gekluisterd was geweest, op van de grond en ging naar buiten. Alle aanwezigen zagen met eigen ogen dat hij gezond en wel in staat was om zelf te lopen.

Kon de verlamde man niet binnengebracht worden vanwege de menigte van mensen die niet opzij wilde gaan, nu kon hij zomaar tussen de mensen door naar buiten lopen; iedereen ging vol verbazing aan de kant (vgl. Mar.1:22,27).
De mensen verheerlijkten God. Daaruit bleek dat ze deze genezing erkenden als het werk van de Heere God. Het hield tevens in dat ze Jezus erkenden als Iemand door wie de Heere God op een bijzondere manier werkte. Dit stond in schril contrast met wat de schriftgeleerden dachten (vs.7).
Met de opmerking van de mensen dat zij nog nooit zoiets gezien hebben (of: het nog nooit zó gezien hebben), bedoelen ze de lichamelijke genezing van de verlamde in relatie met zijn ‘innerlijke genezing’, de vergeving van zonden.
Zo is Jezus! Hij genas niet alleen het lichaam van deze man, maar ook zijn geest. Hij maakte hem aan alle kanten weer heel en gezond, helemaal nieuw.