Lucas 5:11,12

De genezing van een melaatse 5:12-16 (Mat.8:1-4; Mar.1:40-45)

Jezus maakte niet Nazareth, maar Kafarnaüm tot zijn uitvalsbasis. (4:31) Hij trad zijn toehoorders tegemoet als een onderwijzer, een meester of rabbi. Zijn rondreizende publieke optreden ging gepaard met wonderen. Zijn optreden bracht gemengde reacties bij de mensen teweeg, soms positief, soms negatief, soms getekend door een enorme verbazing – die ook weer in geloof uit kon monden. (4:32,36). Zijn eerste leerlingen voegden zich bij Hem. Zij zagen in Jezus een buitengewoon Meester tegenover wie zij zich op een vreemde manier zondig voelden.(5:8). Ze hadden onbewust in de gaten dat Hij volkomen heilig was. En dat niet alleen, Hij was ook oppermachtig. Zelfs de melaatsheid – ook wel huidvraat genoemd – bood geen weerstand aan Zijn woorden. 

Deze bijzondere genezing vond plaats in een onbekende stad ergens in Galilea (vgl. vs.1; Mar.1:39). Een man met een ernstige vorm van melaatsheid (‘vol melaatsheid’) kwam naar Jezus toe en smeekte Hem om hem te genezen. Kennelijk wist hij van Jezus’ reputatie als wonderdoener (Luc.4:14,37,42-44). Melaatsheid (lepra) was een verzamelnaam voor een aantal uiteenlopende huidziekten, variërend van een betrekkelijk onschuldige huiduitslag en zweren tot de meest ernstige vorm die tot zware verminkingen van lichaamsdelen kon leiden. Het was niet zonder meer gelijk te stellen aan wat we tegenwoordig ‘lepra’ noemen (het kon niet alleen mensen, maar ook huizen en kleding aantasten, Lev.14:34-57, te denken viel daarbij aan een soort schimmel). Vanwege het besmettingsgevaar en de opvatting dat melaatsheid een straf op een persoonlijke zonde was (Num.12:8,10; 2Kon.5:20-27 –  de reiniging diende gepaard te gaan met een schuldoffer –  Lev.14) werden melaatsen uit de gemeenschap gebannen (Num.5:2-3; 12:14-15; vgl. 2Kon.7:3-9). 

Melaatsen moesten dus ver buiten de bebouwde kom blijven. Deze man was dan ook tegen alle voorschriften in en op eigen risico de stad binnengekomen. Anders dan bijvoorbeeld genezingen van verlamdheid en uitdrijvingen van boze geesten, waren verslagen van genezingen van melaatsheid in het Nieuwe Testament op één hand te tellen (behalve de parallelteksten Mat.8:1-4 en Mar.1:40-45 verder alleen nog in Luc.17:12; indirect: Luc.7:22 (Mat.11:5); Mat.10:8; vgl. Luc.4:27 = 2Kon.5:9-14; Mat.26:6 = Mar.14:3). 

Het genezen van melaatsheid hoorde dus zelfs in Jezus’ dagen tot de uitzonderingen! Het genezen van een melaatse – voor de rabbijnen hetzelfde als het opwekken van een dode – was dan ook een teken van de komst van het messiaanse rijk (Luc.7:22; SB I, 593-596).

Toen de man voor Jezus stond boog hij diep voor Hem neer (‘op zijn aangezicht vallen’, een eerbetoon, (17:16; vgl. Luc.5:8; Num.14:5; Ruth2:10) en sprak Hem eerbiedig aan met ‘Heere’ (kurios, hier een beleefdheidsvorm). Hij stelde niet Jezus’ vermogen om te genezen ter discussie. Dat stond voor hem – na alles wat Hij over Jezus gehoord had – als een paal boven water: ‘U kúnt mij reinigen’ zei de man. Toch liet hij zijn genezing over aan Jezus’ wil (‘indien U wilt’). Dat is een zeldzame blijk van overgave aan Gods leiding. 

Dat Jezus zomaar Zijn hand naar de melaatse uitstrekte en hem aanraakte, moet zowel bij de omstanders als bij de man zelf grote consternatie teweeggebracht hebben. Contact met melaatsen moest zoveel mogelijk worden vermeden, niet alleen vanwege het besmettingsgevaar, maar vooral ook vanwege de overtuiging dat zo iemand een straf van God te dragen had (zie comm. vs.12). We zullen hier niet moeten denken aan een formele ‘handoplegging’, maar aan een symbolisch gebaar, waarmee Jezus het isolement van de man doorbrak en Zich metterdaad deelgenoot maakte van zijn schuld en zijn ziekte (vgl. Jes.53:4). 

Op Jezus’ machtswoord ‘Ik wil het, word rein’ volgde onmiddellijk de genezing. In overeenstemming met het oudtestamentische spraakgebruik, werd herstel van de ziekte veelal aangeduid als een ‘reiniging’, omdat met de genezing de betreffende persoon niet langer cultisch onrein was, wat hem ervan had weerhouden om deel te nemen aan het godsdienstige en sociale gemeenschapsleven (vgl.Joh.9:22). Aangezien de Heere Jezus Zelf hier aan het woord was, had het ‘Ik wil’ (thelō ) direct genezing tot gevolg. 

Genezing hangt uitsluitend en alleen af van Jezus’ (en dus Gods) soevereine wil. Dat is nog steeds zo. Voordat de man in zijn enthousiasme overal ging rondbazuinen dat hij door Jezus van zijn melaatsheid genezen was, diende er te worden voldaan aan de oudtestamentische wetsbepalingen die voor de reiniging van melaatsheid golden en moest hij door de priester officieel rein verklaard zijn (vgl. Luc.17:14). Anders zou de indruk gewekt kunnen worden dat Jezus Zich niet stoorde aan de wet van Mozes en dat zou gemakkelijk een aanleiding kunnen vormen om een beschuldiging tegen Hem in te brengen en Hem te veroordelen. Daarom gebood Jezus de man voorlopig  ‘niemand iets te zeggen’. Pas wanneer hij officieel rein verklaard was mocht hij zijn verhaal doen. In overeenstemming met de oudtestamentische wetsvoorschriften (Lev.14) zond Jezus de man naar de dienstdoende priester in de tempel. Hij moest dus van Galilea naar Jeruzalem! Daar moesten de voorgeschreven reinigingsoffers gebracht worden (Lev.14:4-7,10-20) en moest de priester na grondig onderzoek officieel bevestigen dat de man ‘rein’ was (en dus weer onder de mensen mocht komen). 

Opvallend detail: Lucas repte met geen enkel woord over de reactie van de man (vgl. Mar.1:45). Niet de genezene zelf, maar de Geneesheer stond in het middelpunt. 

Jezus! Naam aller namen! Bij Hem moeten we zijn voor al onze ziekten, noden en zorgen. Hij is in staat om niet alleen ons lichaam, maar vooral ook onze ziel te redden.