Jesaja 58

Jesaja 58: 7-11 

In Jesaja 58 komt het probleem naar voren dat de Israëlieten door vast te houden aan bepaalde godsdienstige handelingen Gods gunst verwachtten. Jesaja wijst echter op het selectieve van een wettische godsdienst en geeft aan dat rechtvaardig leven niet alleen tot uiting komt in godsdienstige handelingen, maar vooral in een rechtvaardige levenswandel. 

Deze kwesties passen inhoudelijk bij Jes.56-59 waarin de nadruk gelegd wordt op goed moreel gedrag, gedrag dat in overeenstemming is met de normen die God hanteert. Tegelijkertijd komt het thema van de sabbat tweemaal naar voren (Jes.56:1-8 en 58:13).

Eigenlijk werkt Jesaja 59 het thema van Jesaja 58 verder uit, en het is dan ook opvallend dat Jes.58:1 begint met de zonden van het huis van Jakob, terwijl Jes.59:20 afsluit met nakomelingen van Jakob die berouw hebben over hun zonden.

Het is ook opvallend dat Jes.1 en 58 heel veel op elkaar lijken.De algemene thematiek past in de tijd van Jesaja, en hoeft niet te wijzen op een datering na de ballingschap (vgl. Am.5; Hos.10:11-12 ).

Valse en ware vroomheid (58:1-14)

Iemand – waarschijnlijk was dat de profeet zelf (vgl. Jes.40:3,6) – krijgt de opdracht om hardop en indringend de overtredingen van Gods volk te bewijzen, het volk Israël aan te klagen en de mensen tot berouw te bewegen (vs.1).

Zeker te weten, het  volk zoekt dagelijks naar God en probeert ook om Zijn wegen te ontdekken, als een volk dat Hem trouw is (vs.2). Steeds willen de mensen Gods rechtvaardige oordeel weten. Bovendien verlangen ze naar Gods nabijheid. Daarmee wordt waarschijnlijk het tempelbezoek bedoeld. De woorden van dit vers lijken op het eerste gezicht positief. Maar uit het vervolg van dit hoofdstuk komt een heel ander beeld naar voren. Je kunt in spreken, bidden en handelen een gelovige lijken, maar het is nog niet vanzelfsprekend dat je dat ook echt bent(vgl. Mat.7:21-23). 

Het is goed mogelijk om mee te doen met religieuze gewoonten terwijl je motivatie meer in culturele redenen dan in geestelijke ligt. Een orthodoxe liturgische praktijk garandeert geen persoonlijke ontmoeting met God en creëert op zichzelf genomen geen rechtvaardige maatschappij (vgl. Jes.59:4,8,11).

Het is in deze context dat we de klacht van het volk moeten plaatsen dat God het vasten en de verootmoediging niet opmerkt (vs.3). Daarmee verbonden zijn er mogelijk onverhoorde gebeden. Jesaja sprak de mensen er echter op aan dat ze hun bezigheden niet staakten op de vastendag maar gewoon lekker aan het werk bleven. Het leven ging zijn gewone gang en werklieden werden zelfs uitgebuit. Deze aanklacht kun je op zijn minst ironisch noemen. 

Aan de ene kant was iedereen ervan overtuigd genoeg ernst te maken met het vasten, maar aan de andere kant gunde men zijn werklieden geen verlof op een dag van vasten en gebed. Het vasten van de werkgevers ging niet verder dan het uitwendige en leidde niet tot een milde houding als werkgever. Waarschijnlijk waren de ruzies en de fysieke agressie waar Jesaja in vers 4 over klaagde (agressie op vastendag!), een gevolg van een hardvochtige houding ten opzichte van de werklieden. Als bazen onverschillig bleven voor de noden van hun werklieden, hoe konden ze dan verwachten dat God hun gebeden verhoorde? Dachten ze dat een dag van zelfvernedering, van zich neerbuigen en in zak en as zitten een vastendag was die door God gewaardeerd zou worden (vs.5)?

Voor alle duidelijkheid: deze tekenen geven inderdaad vaak uiting aan oprechte onderdanigheid en Jesaja zou dat ook niet ontkennen (1Sam.12:16; 1Kon.21:27; Jer.6:26), maar dergelijke uitingen van berouw waren alleen zinvol als ze gepaard gingen met de juiste hartsgesteldheid.

God keek en kijkt nog steeds verder dan het uitwendige en wilde weten of het vasten ook betekenis had voor iemands verdere leven. Even duidelijk als Hij deze vormendienst afkeurde, gaf Jesaja aan welke bekering en verandering God dan wèl verlangde te zien op een vastendag.Hij wilde een einde zien aan sociaal onrecht en uitbuiting (vs.6). De krachtige rij werkwoorden ‘openen’, ‘losmaken’, ‘vrijlaten’, ‘verbreken’ functioneren in deze teksten als een bevel. Het gaat daarbij niet om vier afzonderlijke handelingen die specifiek op de vastendag worden verwacht, maar samen vormen de vier werkwoorden één krachtige oproep tot bevrijding van elke volksgenoot uit allerlei vormen van onderdrukking.Veel uitleggers zoeken achter de genoemde symbolen van onderdrukking, ‘boeien van goddeloosheid’ en ‘banden van elk juk’, een relatie met de ballingschap in Babylonië. In dit hoofdstuk gaat het echter over het verkeerde gedrag van de Israëlieten ten opzichte van hun volksgenoten, niet over wat vreemden Israël aandeden. 

De laatste tijd komt er meer zicht op de toespelingen op Grote Verzoendag en het jubeljaar. Dit gaat over de trompet (vs.1; Lev.25:9), de verootmoediging (vs.3,5; Lev.16:31) en het ontbinden van het juk van dieren, omdat er niet gezaaid wordt (vs.6; Lev.25:11).Ook de sociale regels van sabbatjaar en jubeljaar zijn belangrijk, terwijl in Jesaja 58 blijkt dat die niet gehandhaafd werden. Daarmee is de relatie met de ballingschap minder waarschijnlijk geworden.

Een vastenperiode vereist dat men zijn brood deelt met wie hongerig is, dat men armen en daklozen van kledij en huisvesting voorziet en dat men de ontmoeting met arme volksgenoten niet uit de weg gaat (vs.7).

Als men zich daaraan houdt, dan zal er licht van Gods volk uitgaan, zoals bij de dageraad het geval is en ook zal er genezing zijn (vs.8).Bij Jesaja staat de metafoor ‘licht’ vaak voor de belofte van gerechtigheid, verlossing uit lijden (Jes.9:1) en veroordeling van het kwaad (Jes.10:17). In Jes.40-55 wordt beklemtoond dat God zijn licht ook wil laten schijnen over de volken (Jes.42:6; 49:6; 51:4-5).

Israël is geroepen om deze boodschap bekend te maken (vgl. Jes.60:1-3). Dan zal God, hier ‘uw gerechtigheid’ genoemd, het volk beschermend en glorierijk omgeven, zoals bij de uittocht uit Egypte (vgl. Jes.52:12b; Ex.14:19-20). Het licht zal schijnen, herhaalt de profeet en men zal Hem ook niet meer voor niets, zonder gebedsverhoring  aanroepen (vgl. vs.3).

Wie vastend tot God roept, zal gehoor vinden, als er gebroken wordt met het juk van onderdrukking en verwijten (vs.9). Wie zich echt het lot aantrekt van wie behoeftig is, en die persoon verzadigt, zal ook God zijn volk verzadigen (vs.10).God zal zijn volk onafgebroken leiden en te drinken geven in de droogte (vs.11).

Dit beeld wordt door sommige verklaarders letterlijk opgevat: niemand hoeft de terugkeer uit Babylon door de droge woestijn te vrezen (vgl. Deut.32:12).23 Het is echter beter de woorden op te vatten als metafoor voor zegen (zie uitleg Jes.41:17-19; vgl. Ps.23:3). Zo is er ook een betere aansluiting bij de volgende woorden: het volk wordt niet alleen zelf van water voorzien, het zal zelf als een onuitputtelijke bron zijn.

Dan zullen oude ruïnes, de stad die in verval geraakt was omdat God zijn toorn had laten gelden, worden herbouwd. Het ligt voor de hand daarbij te denken aan het herstellen van de verwoestingen die in Jeruzalem zouden worden aangericht wanneer het volk in ballingschap zou worden weggevoerd (Jes.39:5-7).  De profeet legde echter de nadruk niet op de ruïnes, maar op de herbouw, waarin de fundamenten voor alle toekomstige generaties hersteld worden (vs.12a). Ook hoeven de ruïnes niet beperkt te worden tot Jeruzalem, want Jeruzalem wordt niet bij naam genoemd. 

 Het kan goed zo zijn  dat de profeet in beeldspraak zijn eigen volk beschrijft. De aangesprokene krijgt in vers 12b nieuwe namen, zoals ook bij Jeruzalem gebeurt in Jesaja .1:26 en 60:14. Deze namen zijn ‘Hersteller van Muren’ en ‘Herbouwer van Straten’. De woorden en beelden wijzen naar een eschatologische situatie, die vaak in het boek Jesaja voorkomt: een situatie van heil waarin Sion of Jeruzalem centraal staat te midden van deze wereld en in een paradijselijke situatie tot heil is van de andere volken.

In de verzen 13 en 14 herhaalt de profeet wat hij eerder met betrekking tot het vasten heeft gezegd, maar dan nu gericht op een ander aspect van de dienst aan God, namelijk de sabbat. Op de sabbat moet het volk zijn voeten laten rusten en zijn eigen zaken en bezigheden van zich afzetten. De sabbat is heilig en eerbaar voor God en mag een bron van vreugde voor het volk zijn (vs.13).Dan zal het volk ontdekken dat God zelf de bron van vreugde is. Zoals destijds beloofd, krijgt het volk dan macht en volle zeggenschap over het beloofde land en het vruchtgebruik ervan. Dat wordt hier verbeeld als het rijden over de hoogten, een metafoor voor veiligheid en overwinning (Jes.19:1; Deut.33:26,29; Hab.3:19). Deut.32:13 noemt het rijden op de hoogte en het eten van de opbrengst van het veld Gods werk voor zijn volk. Het toegezegde heil kan nog ver weg lijken, maar plechtig belooft de Heere dat Hij het volk zal voeden in dit land, het erfdeel van Jakob (vs.14).

Boodschap

Jes.56-59 bespreekt het gedrag in de verbondsgemeenschap. Jesaja 58 sluit aan bij Jes.1, waarin het onrecht in combinatie met religieuze feesten wordt gehekeld. Beide hoofdstukken veroordelen het ‘zoeken van God’ (Jes.1:16-17; 58:2) met handen waaraan bloed kleeft (Jes.1:15; 58:3). Beide hekelen de behandeling van de sabbat (Jes.1:13). Waar iemands hart werkelijk lag, kon je goed afmeten aan de ernst die hij maakte met de sabbat. Oprecht geloof gaat niet samen met onderdrukking en sociaal onrecht (Neh.5:10-12; Jer.34:8-11). Religieuze rituelen zijn dan nutteloos en zelfs beledigend tegenover God (Jes.1). Wanneer zelfs vasten wordt misbruikt om groot onrecht te maskeren, doet dit denken aan de moord op Nabot (1Kon.21:9-13). Zoals het offer van een goddeloze een gruwel is (Spr.21:27), zo is het nutteloos om alleen maar formeel spijt te betuigen over fouten. Het idee dat een louter rituele handeling God naderbij brengt, veronderstelt dat Hij manipuleerbaar is, een typisch afgodische houding. Maar godsdienst is bedoeld als dankbaarheid voor onze verlossing, niet als middel om iets van God gedaan te krijgen. Het gaat in dit hoofdstuk dan ook niet om een afwijzing van de gebruiken van het vasten en het houden van de sabbat, maar om de manier waarop mensen zich aan deze gebruiken houden. 

Ook voor gelovigen van vandaag is dit relevant. Wat het vasten betreft maakt Jezus duidelijk dat het daarbij niet gaat om uiterlijk vertoon, maar om onze hartsgesteldheid (Mat.6:16-18). Het sabbatsgebod keert in het Nieuwe Testament als zodanig niet terug en reeds toen bestonden hierover al verschillende opvattingen. De apostel Paulus maakt echter duidelijk dat welke opvatting men op dit punt ook heeft, de gelovige moet leven in het besef dat het leven niet hem of haarzelf toebehoort, maar aan God (Rom.15:5-8). Zoals in Jes.1:26-27 dringt de profeet in Jes.58 aan op bekering, waarna Jeruzalem een nieuwe naam en identiteit krijgt (vs.12) en ook genezing ontvangt (Jes.1:5-6; vgl. Jes.58:8).

De vermelding van een ramshoorn en het vasten doen vermoeden dat hier de grote Verzoendag op de achtergrond meespeelt (Lev.16). In de oudste Joodse leescyclus wordt op deze dag als Haftara (profetenlezing) Jesaja 58 gelezen, samen met het verhaal van Ninevé’s redding door vasten en berouw. Ook Joëls woorden klinken volgens de Misjna op die dag: ‘Scheur uw hart, niet uw kleren!’ (Joël2:13).

Het is dus duidelijk: hoewel het goed is dat er vorm gegeven wordt aan ons geloof en onze godsdienst, de vorm mag nooit de plaats innemen van ons hart. De Heere ziet precies of wij onze liefde, onze liefdadigheid, en onze gaven menen, of dat het alleen maar een vormendienst is. 

Bron: studiebijbel Salomo en eigen gedachten.