Op weg naar Pasen ( 20 )

De hogepriester zei: “ Ik bezweer u bij de levende God, zeg ons of U de Messias bent, de Zoon van God. “ Jezus antwoordde: “ U zegt het. “ Maar Ik zeg u allen hier, vanaf nu zult u de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand van de Machtige, en Hem zien komen op de wolken van de hemel. Hierop scheurde de hogepriester zijn kleren en hij riep uit: “ hij heeft God gelasterd, wat hebben we nog getuigen nodig? Nu hebt u met eigen oren gehoord hoe hij God lastert. Wat denkt u ? “ Ze antwoordden: Hij is schuldig en verdient de doodstraf! daarop spuwden ze Hem in het gezicht en sloegen hem. Anderen stompten Hem en zeiden: “ Profeteer dan maar eens voor ons Messias, wie is het die je geslagen heeft? “ ( Matth. 26 : 63 – 66 ) 

De prangende vraag was eruit. Iedereen wachtte met ingehouden adem op het antwoord. Ze voelden allemaal aan dat alles afhing van het antwoord van Jezus. De Heere deinsde niet terug op dit cruciale moment. Hij wist dat Zijn antwoord alle remmen van zijn belagers los zou slaan. Maar Hij ontweek de waarheid niet, en zei:  “ u hebt het gezegd. “  Met een paar woorden maakte Jezus het feitelijk duidelijk dat Zijn kwelgeesten geen notie hadden van de inhoud van hun vraag. Ze wilden helemaal niet dat Hij de Zoon van God was. Ze wilden Zijn dood. 

Jezus had zelf nooit zo gezegd dat Hij de Zoon van God was. Daarom nam Hij met grote wijsheid de uitspraak van Zijn hatelijke vraagstellers over met een simpele bevestiging van hun vraag. 

Uit zichzelf en met een Goddelijke autoriteit ging Jezus verder. Hij sprak een profetie uit die duidelijk maakte waar Hij heen zou gaan. Naar de hemel, naar God. Daar zou Hij een ereplaats krijgen aan de rechterhand van Zijn Vader, om op Gods tijd terug te keren naar de aarde voor het laatste oordeel. Op die dag zou Hij alle vromen uit hun beproevingen hier op aarde redden, maar alle onrechtvaardigen straffen. Alle mensen die het gezag van de Heer verachten. ( 2 Petrus 2 : 9 ) Daarvan was in deze situatie overduidelijk sprake. 

De hogepriester noch het Sanhedrin hadden er niet voldoende erg in wat ze deden. Ze begrepen niet dat ze Jezus onterecht beschuldigden van de vernietiging van de tempel. Ze hadden er totaal geen idee van dat ze door alles wat ze riepen en deden geoordeeld zouden worden door de zwijgende, ernstige figuur die voor hen stond. ( Matth. 19 : 28 / 25 : 31 ) 

De uitspraak van Jezus luidde het einde van Zijn aardse bediening in,  het begin van de eindtijd. Hoewel de rondwandeling van de Meester hier op aarde nooit zonder tegenspraak, ongeloof, en verdeeldheid vergezeld was geweest, zouden deze genoemde feiten zich nog intensiveren. Maar naast een tijd van scheiding en verdeeldheid ( Matth. 23 : 39 / 26 : 29 ) , zou het een tijd worden waarin de Heere Jezus meer en meer Zijn geestelijke heerschappij zou vestigen. Zo markeerde de diepste vernedering van onze Heere en Heiland tegelijkertijd Zijn toekomstige luister in. 

Daarvan begreep de hogepriester niets. Vol verontwaardiging stond hij op en scheurde zijn kleren. Een Joods gebruik dat ontzetting aangaf. ( Hand. 14 : 14 ) Het werd in de Misjna voorgeschreven wanneer er sprake was van Godslastering. Kajafas riep uit dat het bewijs daarvan overtuigend geleverd was. Jezus` claim volledig gezag van God te hebben en Zijn claim dat Hij de Mensenzoon was, lieten er geen twijfel over bestaan dat Hij Zich schuldig maakte aan Godslastering. Het was overduidelijk dat er in het proces rond Jezus niet naar een rechtvaardig vonnis gezocht werd, maar een reden om Hem ter dood te veroordelen. Daarom alleen was het Sanhedrin samengekomen. 

Overeenkomstig de profetie uit Jesaja 50 : 6 werd Jezus in het gelaat gespuugd en geslagen. Volgens Lucas waren het de knechten die dit deden, maar de mishandelingen gebeurden met volledige instemming van het Sanhedrin. 

In je gezicht gespuugd en geslagen worden was de ergst denkbare vorm van verachting en vernedering ( Numeri 12 : 40 / Job 30 : 10 ) Het woord slaan betekent in de grondtaal niet zomaar gewoon slaan, maar ook met stokken slaan. Lees daarnaast ook in Jesaja 50 : 6 waar staat: “ Ik heb Mijn rug geboden aan degenen die Mij sloegen. “ Marcus en Lucas merkten ook nog op dat Jezus geblinddoekt was. Hij was dus volkomen weerloos en wist niet waar de ruwe, wrede slagen vandaan kwamen. 

Spottend vroegen de soldaten Hem of Hij Zijn profetische gaven wilde gebruiken, en wilde zeggen wie Hem geslagen had. In de Talmoed vind je een beschrijving van een dergelijke situatie, waarbij geestelijk inzicht de geblinddoekte persoon zou moeten openbaren wie de persoon was die hem sloeg. De zogenoemde Messiastest. Het blijkt wel dat de Joden niet bepaald zachtzinnig omgingen met mensen die zichzelf als een profeet aanmerkten, en al helemaal niet welwillend of vredelievend. 

Zo werd onze lieve, zondeloze Heere naar Zijn dood geleid.

Que non fleret? 

https://www.youtube.com/watch?v=tT9KJyPCXCE&t=157s

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *