Lucas 22 : 66 / Lucas 23 : 25

“Toen het dag werd kwam de raad van oudsten van het volk bijeen. Hogepriesters zowel als schriftgeleerden en ze leidden Hem voor in hun raadszitting. Ze zeiden: “ als U de Messias bent, zeg het dan.” Maar Jezus antwoordde: “ Als Ik het U zeg, gelooft U Mij toch niet. En als Ik een vraag stel, antwoord U toch niet. Maar vanaf nu zal de Zoon des Mensen gezeten zijn aan de rechterhand van de Almachtige. “ Toen zeiden allen; “ U bent dus de Zoon van God? “ Hij antwoordde: “ U zegt dat Ik het ben. “ Ze zeiden: “  Waarvoor hebben we nog getuigenverklaring nodig? We hebben het immers uit Zijn eigen mond gehoord? “  Ze stonden allen op en leidden Hem voor Pilatus. Daar brachten ze de volgende beschuldiging tegen Hem in. “ We hebben vastgesteld dat deze man ons volk van het rechte pad afbrengt en de mensen ervan weerhoudt belastingen aan de keizer te betalen en dat Hij van Zichzelf zegt de Messiaanse Koning te zijn.” Pilatus vroeg Hem: “ Bent U de koning van de Joden?” Jezus zei: “ U zegt het. “ Daarop zei Pilatus tegen de hogepriesters en de samengeschoolde menigte: “ Ik vind niets waaraan deze man schuldig is. “  Maar ze bleven hardnekkig beweren: “  In heel Juda ruit Hij met Zijn onderricht het volk op, van Galilea tot hier! “  Toen Pilatus dit hoorde vroeg Hij aan Jezus of Hij uit Galilea kwam en toen Hij besefte dat Hij onder Herodes` gezag viel stuurde hij Hem naar Herodes die op dat moment in Jeruzalem verbleef. Herodes was bijzonder blij toen hij Jezus zag, want hij wilde Hem allang ontmoeten omdat hij veel over Hem gehoord had. Bovendien hoopte hij Hem een wonder te zien doen. Hij ondervroeg hem uitvoerig maar Jezus antwoordde hem niet één keer. De hogepriesters en de schriftgeleerden die erbij stonden brachten zware beschuldigingen tegen Hem in. Hierop begonnen Herodes en zijn soldaten Jezus te honen en ze dreven de spot met hem door hem een pronkgewaad om te hangen. Zo stuurde Hij hem terug naar Pilatus. Op die dag werden Herodes en Pilatus vrienden terwijl ze altijd elkaar vijanden waren geweest. Pilatus riep de hogepriesters en de leiders en het volk bij zich en zei tegen hen: “ U hebt die Man voor Mij gebracht als iemand die het volk van het rechte pad afbrengt. Maar u weet dat toen Ik Hem in uw bijzijn verhoorde aan geen van de zaken waarvan u Hem beticht schuldig heb bevonden. En Herodes evenmin, hij heeft Hem immers naar ons teruggestuurd; hij heeft niets gedaan waarop de doodstraf staat. Dus zal ik Hem vrijlaten, nadat ik Hem heb laten geselen. “ Maar ze begonnen met zijn allen luidkeels te schreeuwen: “  Weg met Hem! Laat Barabbas vrij! “  Deze laatste was gevangen gezet wegens een oproer dat in de stad had plaatsgevonden en wegens moord. Pilatus praatte opnieuw op hen in omdat hij Jezus wilde vrijlaten. Maar e schreeuwden het uit: “ Laat Hem gekruisigd worden! “ Voor de derde maal zei Hij tegen hen: “ Wat voor kwaad heeft die Man dan gedaan? Ik heb niets gevonden waarvoor Hij de doodstraf verdient. Dus zal ik Hem vrijlaten, nadat ik Hem heb laten geselen. “ Maar ze bleven luidkeels eisen dat Hij gekruisigd zou worden en met hun geschreeuw wonnen ze het pleit. Pilatus besloot hun eisen in te willigen. Hij liet de man gaan die wegens oproer en moord gevangen was gezet en om wiens vrijlating ze hadden gevraagd, en leverde Jezus uit aan hun willekeur.”  

 

Terwijl Mattheüs en Marcus een verhoor beschreven dat `s nachts plaatsvond, heeft Lucas, – de nauwkeurige opmerkzame arts – het ook over een verhoor in de vroege morgen. Waarschijnlijk is dit het grote Sanhedrin geweest dat bestond uit ouderlingen van het volk, en alle overpriesters en schriftgeleerden. Ze waren vroeg uit bed gekomen voor een zitting die gerechtigd was de zaak van Jezus uit te spreken. Hoewel niemand kon bewijzen dat Jezus ooit had gezegd dat Hij de Zoon van God was, dwongen ze Hem een bekentenis af. Het was erg mooi geweest als ze deze vraag gesteld hadden om Hem te aanbidden maar zo was het niet. Ze wilden Jezus in een valstrik laten lopen. De uitspraak van Jezus bevestigde dit feit. “  Als Ik het u zeg, zult u Mij niet geloven. “ ze Hij. “ Als Ik de Christus niet ben, dan zou u een antwoord moeten geven op de argumenten waarmee Ik bewijs dat Ik het ben. U zou Mij moeten loslaten, maar u doet geen van beide. “ Om een volledig bewijs te geven van het feit dat Hij de Christus was, wees Hij heen naar de Wederkomst. “ Maar vanaf nu zal de Mensenzoon gezeten zijn aan de rechterhand van de Almachtige. “ Niemand zal zich nog afvragen of Jezus de Zoon van God is als Hij terugkomt op de wolken van de hemel. Iedereen zal het zien. 

Maar het rechtstribunaal was niet onder de indruk van deze woorden. Ze leidden uit Zijn antwoorden af dat Hij Zich opwierp als de Zoon van God terwijl ze verwezen naar het visioen van de profeet Daniël. ( Daniël 7 : 13, 14 ) Toen Jezus eenvoudigweg zei : “ U zegt dat Ik het ben “  grondden ze hun veroordeling op deze uitspraak. Ze hadden geen verdere getuigen nodig om te bewijzen dat Hij in hun ogen Godslasterlijke uitspraken deed. Zo werd onze Heere Jezus Christus door de geestelijke rechtbank veroordeeld als een lasteraar van God. De hele menigte stond op en voerde Jezus in gevangenschap met zich mee naar Pilatus. Luidkeels eisten ze dat er recht tegen Hem gedaan zou worden. Omdat ze wel begrepen dat Pilatus geen boodschap had aan hun godsdienstige twist, beschuldigden ze Hem als iemand die de Romeinse regering ongenegen was. Ze gaven allerlei verkeerde voorstellingen van Hem. Hij zou het hele volk aansporen om tegen de keizer in opstand te komen. Het was een voldongen feit dat er een algemene ontevredenheid onder het volk bestond tegen de Romeinse overheersing. Dat wist Pilatus natuurlijk ook. De Joden wilden dat Pilatus zou geloven dat deze Jezus die algemene ontevredenheid aanwakkerde. Terwijl Jezus de mensen geleerd had om de keizer en de Elohim elk apart hun eigen deel te geven ( Marcus 12 : 13 – 17 ) werd Hij vals beschuldigd van het feit dat Hij verbood om de keizer zijn schatting te betalen. Jezus zou Zich als rivaal van de koning opgeworpen hebben.

Het waren ernstige beschuldigingen! Pilatus vroeg Jezus rechtstreeks of Hij de Koning van de Joden was. Het enige wat Jezus hem hierop antwoordde waren de woorden: “ U zegt dat het zo is. “  Pilatus had er geen notie van dat Jezus het over een geestelijk koninkrijk had. Een koninkrijk dat de rechtsbevoegdheid van Pilatus op geen enkele manier aan zou tasten. Iedereen die Hem kende wist dat Hij Zichzelf nooit als koning tegenover de keizer als het hoogste gezag had opgeworpen. Daarom zei Pilatus laconiek: “ Ik vind niets waaraan deze man schuldig is. “  

In plaats van dat de mensen door de uitspraak van Pilatus gekalmeerd werden en hun beschuldigingen staakten, werden ze alleen maar woedender. Ze scandeerden leuzen en riepen dat Hij in heel Judea de mensen aan het opstoken was. Hij zou een valse profeet zijn die het volk op een dwaalspoor bracht. Jezus zei niets. Hij antwoordde Pilatus noch de woedende menigte met geen woord. Toen nam Pilatus zijn toevlucht tot lage handelingen. Hij begon Jezus te bespotten, en trok Hem een spotkleed aan. Het was een parodie op de koningsmantel die hij zelf graag droeg. 

Toen Pilatus de naam Galilea had horen noemen stond zijn besluit vast. Hij stuurde Jezus naar het gerechtshof van Herodes omdat Galilea zijn rechtsgebied was. En zo gebeurde het. Herodes was opgetogen dat hij Jezus eindelijk gezien had. Hij wilde Hem al heel lang ontmoeten. De wonderen die Jezus deed en Zijn  krachtige uitspraken hadden hem vaak beziggehouden. Deze Man die mensen uit de dood opwekte en zieken genas deed misschien nu ook een groot wonder. Er was geen haar op zijn hoofd die Jezus nodig had als Zaligmaker. Terwijl de Meester de armste bedelaar hielp, liet Hij Herodes en Pilatus staan. Hoewel ze Hem met veel woorden vroegen naar Zijn afkomst en Zijn daden. Omdat Pilatus Jezus niet als een misdadiger wilde veroordelen stuurde hij Hem terug naar Herodes. Dit onderling gebaar van vertrouwen zorgde er voor dat Herodes en Pilatus vriendschap met elkaar sloten. Jezus Christus de Grote Vredestichter kon niet van schuld beschuldigd worden. Hij zorgde er tijdens Zijn proces nog voor dat twee boosdoeners vriendschap met elkaar sloten. 

Herodes – die Johannes tot zwijgen had gebracht – ontmoette een zwijgende Jezus. Hij had nooit berouw getoond over het laten doden van Johannes en had nu geen recht op een antwoord van Christus. Hij moest tegen wil en dank plechtig verklaren dat Jezus naar zijn mening onschuldig was. Omdat hij een slecht karakter had was hij Jezus niet vriendelijk gezind. Bovendien was hij bang om het volk nog bozer te maken. Na een lang verhoor riep hij uit dat hij geen schuld in Jezus kon vinden. “ Jullie hebben Jezus naar mij toegebracht met de klacht dat Hij het volk in opstand brengt. Maar volgens mij klopt het niet wat jullie zeggen. Jezus heeft niets gedaan waardoor Hij gedood zou moeten worden. Daarom zal ik Hem straffen, maar daarna laat ik Hem vrij. “ 

Toen brak het tumult weer los, heviger en oncontroleerbaarder dan ooit. De mensen riepen en krijsten “ Jezus moet dood! Hij moet aan het kruis! ¨ Voor de derde keer vroeg Herodes wat de reden voor Zijn veroordeling zou moeten zijn. Met een afzwakkend timbre in zijn stem stelde hij nog een keer voor om Jezus te straffen en dan vrij te laten. Maar er was geen houden aan. De mensen eisten dwingend de dood van Jezus.  Omdat het geschreeuw zo luid was besloot Herodes hun eis in te willigen. Hij liet Barabbas vrij, de man die iemand vermoord had tijdens een opstand. En Jezus gaf hij aan zijn soldaten mee om gedood te worden. Want dat was waar de mensen om vroegen. ( SV met uitleg, SB, MH, NBV, kantt SV, de Bijbel in gewone taal ) 

 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *