Lucas 2 : 22 – 24

De achtste dag na de geboorte van het Kind Jezus was aangebroken. Volgens de Joodse overlevering werden jongetjes op dit tijdstip besneden als teken dat ze in het verbond van de Heere met Abraham opgenomen werden. De achtste dag begon bij de zonsondergang van de vorige dag. Volgens de overlevering werd er bij deze plechtigheid altijd een stoel neergezet voor de profeet Elia. Hij kreeg deze eervolle positie omdat hij een bijzonder vurig voorvechter voor de wetten en regels van de Heere was geweest. Er werden formeel geen mensen uitgenodigd voor deze ceremonie, want de enige belangrijke persoon om wie het ging was de Heere Zelf, de insteller van de besnijdenis. 

De vader van het kind droeg een gebedsmantel, en het is tot op de dag van vandaag de gewoonte dat er als doopgeschenk een voorschot betaald wordt voor de Joodse studie van de Torah die het jongetje te zijner tijd volgen zal. 

Hoewel het voor de Zoon van God helemaal niet nodig was om in het verbond opgenomen te worden – Hij was de belichaming van het verbond -, bovendien zondeloos – ,  toch heeft Zijn Vader Hem daaraan onderworpen. De Heere Jezus wilde niet alleen in het lichaam, maar zelfs in het zondige lichaam komen. ( Romeinen 8 : 3 ) 

De Heere hield er rekening mee dat de oude bedeling voor de beleving van de mensen nog niet voorbij was. Met de besnijdenis, en later met het ondergaan van de doop, zegende de Heere beide instellingen. ( Johannes 1 : 29 ) 

In de eeuwen die volgden zouden mensen van over de hele wereld hun toewijding aan God door zowel de doop als de besnijdenis symbolisch uit blijven drukken. 

Bij Zijn besnijdenis werd Hem Zijn Naam gegeven: “ Zijn Naam werd Jezus genoemd, want zo werd Hij genoemd door de engel aan Zijn moeder, nog voordat Hij in de moederschoot ontvangen was.”  ( Lucas 1 : 31 ) En ook Zijn vader Jozef had deze namen horen noemen. ( Matth. 1 : 21 ) 

Op zichzelf was het een veel voorkomende naam. Hij wilde immers Zijn broeders in alles gelijk worden? Twee beroemde typen van deze Naam waren Jozua de opvolger van Mozes en Jozua de Hogepriester. ( Zacharia 6 : 11, 13 ) 

Nog weer 32 dagen later, op de veertigste dag, werd Jezus in de tempel voorgesteld. Dat werd gedaan op de tijd die door de wet aangewezen was, toen Hij veertig dagen oud was en de dagen van Maria’s onreine periode voorbijgegaan waren. 

Omdat het Kind Jezus een eerstgeboren Zoon was ging voor Hem de regel van de Wet op die zei dat al wat mannelijk is, en dat de jonge vrouw voor het eerst moeder maakt,  de Heere geheiligd zou moeten worden.  

Volgens deze wet moest Jezus gelost worden ( Numeri 18 : 15 ) voor het geld van vijf zilveren shekels. Maar als mensen deze gift niet op konden brengen mochten ze minder geven. Omdat Maria arm was bracht ze twee duiven mee. Ze had er geen idee van wat er straks gebeuren zou. 

Het was een klein en eenvoudig gezelschap dat met hun kindje het grote tempelcomplex binnenliep. Opnieuw gebeurde er iets dat we steeds over Hem lezen: terwijl Jezus zich vernederde zorgde Zijn Vader voor de eer die Hem toekwam. Door ingeving van de Heilige Geest geleid kwamen Simeon en Anna op datzelfde moment de tempel binnen! Zo volvoerde de Heere stap voor stap Zijn plannen met Zijn Zoon en met de wereld.  ( SB, MH, NBV, de Bijbel in gewone taal, Joodse bronnen ) 

2 responses to “Lucas 2 : 22 – 24

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *