Hosea 7

Zoals de profeet Amos dat in de periode voor hem had gedaan, stelde Hosea de zedelijke, maatschappelijke en politieke verdorvenheid van zijn tijd aan de kaak (4:1. 6:7-10/ 7:1/12:8), in het bijzonder de samenzweringen tegen de toenmalig regerende koningen, en de aanstelling van onwettige koningen (7:3-7/ 8: 4 ). Het ging in zijn profetieën vooral ook om de verbonden die Israël met vreemde mogendheden sloot ( 5 : 13 / 7 : 8 – 12 / 8 : 9 / 10 : 4 / 12 : 2 ). 

Toch ligt het grootste accent van de prediking en profetie van Hosea op de godsdienstige ontrouw van het volk, en op de afgoderij. Die werd in onwettige heiligdommen bedreven, zoals in Bethel ( 4 : 15 / 5 : 8 / 10 : 8 ). Denk aan Jerobeam II die daar een afgodsbeeld in de vorm van een stierkalf had gebouwd, wat de Heere God moest vertegenwoordigen. ( 8 : 5 / 10 : 5 ) en in Gilgal ( 4 : 15 / 9 : 15 / 12 : 12 ) 

Ook allerlei andere heidense en Kanaänitische praktijken zoals de tempelprostitutie werden door Hosea aan de kaak gesteld. Het volk van Israël ging naast de afgodendienst wel door met het vereren van de Heere, maar deed dat puur formeel. Daarom had de profeet Hosea zo`n zware strijd te strijden. 

Na de zonden op godsdienstig gebied hekelde de profeet de politieke wanorde van zijn tijd. Je leest uit het optreden en uit de woorden van Hosea op dat het echt treurig gesteld was met de zuiverheid van de godsdienst zoals de Heere God die eens door Zijn knecht Mozes op had laten stellen. Hosea 7 maakt ons duidelijk hoe erg het was met het volk van Israël, er lag geen zegen van God meer op hun handel en wandel. De sfeer was niet open en overal in het land was onrust en afbraak. Het was van het grootste belang dat er een sterke leider opstond om in een dergelijke situatie helder en duidelijk te handelen. Er was maar één oplossing mogelijk: het volk moest zich bekeren tot de Heere God. Dat was de enige weg naar herstel. 

Hosea 7 bevat een aantal losse profetieën, die ons stuk voor stuk onheilspellend in de oren klinken. We hebben hier te maken met een beschrijving van de moeilijke jaren aan het einde van het Noordelijke Rijk. Alles ging fout, en de verantwoordelijkheid werd neergelegd bij de toenmalig regerende koning en leidinggevenden. De onvrede onder het volk en onder de leidinggevenden werden niet rechtstreekt geuit, ze smeulde onderhuids. Op bepaalde momenten kwam ze tot uitbarsting. De koning en leidinggevenden hadden een halfslachtige houding, ze lieten complotdenkers hun gang gaan, en pakten criminelen niet goed aan. Dit alles was werkelijkheid in de tijd van koningen als Zecharja, Sallum, Menachem, Pakachja, en Pakah. Koningen die kort na elkaar ten val kwamen. ( 2 Koningen 15 : 8 – 31) Je leest over deze koningen dat ze dingen deden die de Heere slecht vond. Ze hadden ervoor gezorgd dat de Israëlieten ontrouw geworden waren aan de Heer. Sommige koningen – zoals Sallum – smeedden complotten en kwamen door een coupe aan de macht. Moord en doodslag waren aan de orde van de dag. Er gebeurden gruwelijke dingen ( 2 Kon. 15 : 14 – 16 ). Steeds opnieuw lees je dat er mensen aan de macht kwamen die de Heere beledigden door de grove zonden die ze bedreven. Geen wonder dan ook dat Hosea een vreselijke profetie had voor het volk van God. 

Gods volk koos steeds opnieuw voor het kwaad, in plaats van voor het goede. ‘ Ik wil hen graag bevrijden van het kwaad. Maar steeds als Ik dat wil gaan doen, zie Ik hoe slecht ze zijn’ , klaagde de Heere. ‘ Ze denken dat Ik niet weet hoe slecht ze zijn. Maar overal waar ze zijn, daar zijn ook hun misdaden. Ik zie alles wat ze doen. ‘ ( Hosea 7 : 1 – 3 )

Vervolgens beschreef Hosea wat er allemaal gebeurde:  Koningen die niet eerlijk regeerden, werden omringd door dienaren die hen wilden doden. Alle ellende was ontstaan uit ongehoorzaamheid aan de Heere. De opdracht om zich van andere volken te onderscheiden, en zich alleen op de Heere te richten hadden ze niet gehoorzaamd. Ze hadden ook Zijn bevelen om de heidense volken te doden en te verdrijven niet uitgevoerd. 

De vermenging met andere volken maakte het volk van Israël zwak en blind. Het volk was allerlei politieke relaties aangegaan met andere volken. Daarmee hadden ze hun exclusieve relatie met de Heere opgegegeven. Ze dachten er niet aan dat ze alleen maar op God mochten vertrouwen. ( Deut. 6 : 5 ). Het is waarschijnlijk zo geweest dat de Israëlieten in hun diplomatieke verkeer met Assyriërs en Egyptenaren ook de goden van deze volken hebben aangenomen en vereerd. Hosea moest het volk vergelijken met een koek die maar aan één kant gebakken was, en halfgaar, dus niet te eten was. 

Dit proces van afgoderij, geweld, en zonde, had ervoor gezorgd dat de Israëlieten hun kracht en glans verloren waren. De Assyriërs bijvoorbeeld, legden het volk immens zware belastingen op. Ze voerden invallen uit, en voerden het puikje van het volk in ballingschap weg. Langzamerhand was het volk uitgebuit, uitgeput, en afgeleefd. Maar de mensen hadden niet in de gaten wat er de oorzaak van was. De keuze van Israël om hun problemen zonder God op te lossen, had ervoor gezorgd dat het van kwaad tot erger met hen was gegaan. Ondanks alle oordelen bekeerden zij zich niet, en zochten ze de Heere niet. 

God klaagde dat de mensen als vogels waren die de weg kwijt waren. De ene keer zochten ze steun bij Egypte, de andere keer bij Assyrië, maar ze keerden niet terug naar de Heere hun God. De Heere zag dat de mensen verdriet hadden, en waren als schapen die weg dwaalden van de Herder. Maar Hij zag ook dat het tranen waren om het verlies van goederen en van het goede leven dat ze vroeger geleid hadden. Ze wilden wel aandacht van Jahweh, maar niet om Hem te dienen. 

De mensen leken totaal te zijn vergeten dat Jahweh het was die hen zoveel geleerd had. Hij had hen sterk gemaakt. Hij had hun vijanden menigmaal verslagen. Maar al Gods zegeningen hadden hen niet tot Hem terug laten keren. Integendeel, ze bedachten slechte plannen tegen God. ( Hosea 7 : 15). De Heere God wist dat de leiders van het volk slechte dingen over Hem bleven zeggen, en liet daarom Hosea profeteren dat ze in een oorlog zouden sterven en omkomen. Ze zouden niet hoeven rekenen op medelijden of barmhartigheid maar hadden slechts spot en minachting te verwachten. 

Deze profetieën zijn ook werkelijkheid geworden. De Egyptenaren hebben het noordelijk deel van Israël prijsgegeven aan Assyrië, en achteraf de spot gedreven met Israël en zijn ondoeltreffend beleid. 

We kunnen uit de profetie leren hoe nauw de Heere het neemt met ons hart, en met onze daden. Hij neemt geen genoegen met een oppervlakkig vereren van Zijn Naam. Hij wil ons hele hart en leven. Hij is een God die jaloers is op Zijn eer. De straffen die Hij op Zijn eigen volk heeft laten uitvoeren, moeten ons aansporen om de Heere te dienen met ons hele hart. 

Een gebed.
‘ Vader in de hemel. U bent de Enige wiens oordeel er toe doet. Wat mensen van ons denken, kan ons leven terneer drukken of verlichten. Maar uiteindelijk is het van weinig belang. Een goede naam onder de mensen is misschien beter dan grote rijkdom, maar noch een goede naam, noch rijkdom zal het vuur van Uw smeltkroes doorstaan. Het gaat alleen om de waarheid. Dat hebben we geleerd van Uw Zoon, de Heere Jezus Christus. Wij prijzen U dat Hij gericht was op U, als op de Poolster van Zijn leven. Hij week niet af naar rechts, of naar links. Zijn kompas was altijd gericht op U. Heer, vervul onze geest en onze mond met de waarheid van Christus. Laat ons het goede van Hem zeggen, en Hem dienen met ons hele hart. Laat de woorden die wij spreken klinken als signalen op een heuvel, dat Jezus de Christus is, de Zoon van God. Vlees en bloed leren ons dat niet. Het wordt door U, o Vader in de hemel geleerd en geopenbaard. Spreek o God door Uw geschreven woord met kracht. En geef dat we de waarheid omtrent Jezus overal in zien. Neig onze liefde naar Hem. Moge Uw Zoon verheerlijkt worden in alles wat wij zeggen en doen. In Zijn Naam bidden wij dit. Amen. ( naar: John Piper ) 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *