Het leven van Jozef ( 3 )

Genesis 37 : 12 – 25 

De schapen en geiten van vader Jakob hadden nieuwe weidegrond nodig. Jozefs broers trokken naar Sichem, een stadje niet ver gelegen van het tegenwoordige Nablus op de Westelijke Jordaanoever. “ Zeg Jozef, ga eens naar hen toe en vraag hoe het met ze gaat. Kijk ook of het goed gaat met de dieren. En kom dat dan aan mij vertellen. “ zei Jakob. Hoewel Jozef zijns vaders lievelingszoon was en veel privileges genoot, wilde hij graag een dienaar voor hem zijn. Gehoorzaam ging hij op pad. Ongelooflijk, hoewel Jozef wist dat zijn broers hem haatten en jaloers op hem waren maakte hij geen enkele tegenwerping.

Duidelijker dan ooit zou het satanische plan van de duivel naar voren komen, die er altijd op gericht is om het werk van God kapot te maken. Jozef trok nietsvermoedend van het dal bij Hebron naar Sichem. Toen hij bijna op de plaats van bestemming aangekomen was, ontmoette hij een eenzame reiziger. “ Wie zoek je jongeman? “ vroeg de man.  “ Ik zoek mijn broers” zei Jozef “ heeft u ze misschien gezien? “ “ Inderdaad! Ik heb mannen met een grote kudde schapen en geiten gezien maar die zijn hier alweer weg. Ze zeiden dat ze naar de stad Dotan gingen. “ zei de man. “ Dank u wel! “ zei Jozef, en hij liep verder tot hij in Dotan aankwam. 

Met gemengde gevoelens zagen de broers hem aankomen. Spot, afkeer, en haat vertroebelde hun blikken. Ze stootten elkaar aan. Er waren niet veel woorden nodig. Ze waren van één ding overtuigd: die Jozef moest zo snel mogelijk uit de weg geruimd worden. Het was een unieke kans om dat nu te doen! “ Daar kom-tie aan, die meesterdromer! “ zei er één. “ Kom, laten we hem een kopje kleiner maken. Putten genoeg hier, daar gooien we zijn lijk in, en geen haan die ooit nog naar hem kraait! “ Dat was Ruben te erg. “ Nee, laten we hem niet doodslaan “ zei hij. Een moord is niet nodig. Gooi hem levend in een put, maar vermoord hem niet. “ 

Het was niet in drift of door een plotselinge aanleiding geprikkeld dat ze Jozef wilden vermoorden. Het was met voorbedachte rade en in koelen bloede. Hoe meer er in zonde sprake is van een plan, en van vindingrijkheid, des te erger is het. Het is slecht om kwaad te doen, maar het is nog erger om het van te voren te beramen. De woede van de broers liet zich maar al te duidelijk zien. Het waren Jozefs dromen die aan hen knaagden en hun woede opwekten. Ze moesten er niet aan denken om Jozef eer te bewijzen! Veel liever gaven ze hun energie aan een complot. Ze zochten naar een oplossing om hun moord met een leugen te bedekken en kwamen met elkaar overeen dat ze zouden zeggen dat een wild dier hem gedood had. 

Ruben, de oudste, had van alle broers de meeste reden om jaloers op Jozef te zijn, want hij was de eerstgeborene. Maar juist Ruben bewees zich als Jozefs beste vriend. Hij was vast van plan om Jozef te redden zodra de andere broers zich uit de voeten gemaakt zouden hebben. Maar God had anders gedacht. Hij maakte alles dienstbaar aan Zijn plan om Jozef tot een Goddelijk instrument te maken om vele mensen in het leven te behouden. Later zou Jozef zeggen:  “ Jullie hebben dat allemaal ten kwade bedacht, maar God heeft het ten goede gekeerd. “ Zo kan de Heere met een kromme stok een rechte slag geven. Het werk van God is niet te keren, want Hij waakt er over. 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *