Noach ( 3 )

De laatste hamerslag verstomde. Noach en zijn zonen  gooiden hun gereedschap neer en bekeken het resultaat. De ark rees torenhoog voor hen op. Alle maten en indelingen klopten precies. Hoewel Noach niets wist over Gods timing kon het niet anders of de aangekondigde oordelen moesten vlak boven hun hoofd hangen. 

Onder Gods bijzondere leiding was de ark tot een veilige schuilplaats uitgegroeid. De Heere had elke handeling  aandachtig gevolgd. “ Ga nu de ark in, samen met je hele gezin, want Ik heb gezien dat jij als enige van deze generatie rechtschapen bent.” herhaalde Hij. Een bewijs dat Hij in ons hart kijkt, en al onze overleggingen kent.

Een opvallend feit dat we bij herhaling uit de Bijbel oplezen is het feit dat Gods bevelen vaak absurd en onrealistisch lijken. ( Gen. 12: 1 / Gen. 19: 12 / Gen. 22: 2 / 1 Sam. 16: 7 / Richt. 6: 14 – 15 ) Dat is om onze gehoorzaamheid, en het vertrouwen op Zijn almacht te testen. Noach moest een bloeiende aarde verlaten, om een donker schip in te gaan. Alleen zijn gezin volgde hem de loopplank over.

Bereidwillig en gehoorzaam gingen ze de ark binnen. Van alle reine dieren moest Noach zeven mannetjes en hun wijfjes meenemen. Van de onreine dieren mochten er twee meegaan, een mannetje en wijfje. Van de vogels kwamen er zeven stellen aangevlogen, om hun voortbestaan op aarde te garanderen.

“ Over zeven dagen zal Ik het veertig dagen en veertig nachten laten regenen. Ik zal dan alles wat er bestaat van de aarde wegvagen, alles wat ik gemaakt heb.” herhaalde God.

Opnieuw lieten Noachs levenswijsheid en Godsvrucht hem precies doen wat de Heere zei. Hij was zeshonderd jaar oud toen de aarde door een watermassa die zijn weerga niet kende overspoeld werd.

Nu kwamen de dieren geen naam halen, maar ze kwamen om gered te worden. Twee aan twee liepen ze naar Noach toe, die gaf hen een veilige plaats in de ark zoals God hem opgedragen had. 

Nauwelijks was de laatste plaats bezet, of de Schepper sloot de deur van de ark hermetisch dicht. Niemand kon er nog in of uit. In het zeshonderdste jaar van Noachs leven, op de zeventiende dag van de tweede maand braken alle bronnen van de machtige oervloed los en werden de sluizen van de hemel opengezet. Veertig dagen en nachten stortregende het!

De vloed overstroomde de aarde. Het water steeg, de ark werd opgetild, zodat zij van de aarde loskwam. Stromend, bruisend en brullend steeg het water en veranderde de vredige schepping in een kolkende ziedende watermassa. Hoger en hoger kwam het water. Het bleef voortdurend toenemen. Zelfs de hoogste bergen kwamen onder te staan. Het sprong en bruiste tot vijftien el boven de hoogste bergtop ter wereld!

Alles wat achtergebleven was kwam om. Elk wemelend leven stierf. Vogels, vee, wilde dieren, en mensen. Alles wat op het land leefde en ademde vond de dood. Alles wat bestond, werd weggevaagd. 

Als een nietige notendop op het wereldrond dreef de ark met het gezin van Noach en het kleine aantal dieren door het noodweer heen.

Honderdvijftig dagen lang was de hele aarde met water bedekt. Het leek alsof er geen hogere macht meer was en er een totale ontschepping plaatsgevonden had. De scheiding tussen zee en aarde was verdwenen. Het was alsof de oervloed opnieuw de overhand gekregen had.

Het verbond van God koerste tot een minimum ingeperkt  de onbekende toekomst tegemoet!

 

 

 

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *