Het lijden ( 3 )

Het lijden ( 3 )

Het hemelse scenario herhaalde zich op nagenoeg identieke wijze. Opnieuw  brak er een dag aan waarop de hemelbewoners hun opwachting bij de Heere maakten. De satan was ook weer van de partij. God de Heere herhaalde Zijn rede met uitzondering van de laatste twee zinnen. Zijn dialoog met de mensenmoordenaar  satan( Job 1: 9 ) was bijzonder indrukwekkend en kaatste de duivel zijn beschuldigingen terug. Deze liet zich echter niet zomaar van zijn zielsverslindende plannen afbrengen!

“ Huid voor huid, alles wat iemand heeft, zal hij geven voor zijn leven. Ook Uw dienaar Job zal hier alles voor overhebben. Wanneer U zijn lichaam aantast zal hij U ongetwijfeld in Uw gezicht vervloeken.” zo weerlegde hij de rede van de Heere.Opnieuw antwoordde God: “ goed, doe met hem wat je wilt, maar blijf van zijn leven af! “

Omdat de satan geen geweten heeft en slechts probeert te verstrooien en te verwoesten, is er nooit één enkele blijk van aarzeling of medeleven van hem te verwachten. Integendeel, hij gaat hier op aarde rond als een briesende leeuw, zoekend wie hij zou kunnen verscheuren of verslinden. Onmiddellijk overdekte hij Job van zijn hoofd tot aan zijn voeten met kwaadaardige zweren. Er was geen plekje aan zijn lichaam waar hij nog gezond was.

Job, die letterlijk alles verloren had, bezat niets meer om zijn lijden te verlichten. Gebrek hebbend aan alles nam hij een potscherf uit de puinhoop die nog van zijn woning over was. Daar krabde hij zijn jeukende huid mee kapot. Alle energie had hem verlaten en hem restte ook geen enkel gevoel van eigenwaarde meer. Hij zette zich letterlijk neer in het stof en vuil van datgene wat eens zijn blijdschap en glorie was geweest. Alleen zijn vrouw was er nog. Maar ook van haar had hij niets goeds meer te verwachten. Begrijpelijk? Natuurlijk was zij ook in diepe rouw, zij was immers eveneens alles kwijtgeraakt?

Vanuit menselijk oogpunt bezien was Jobs toestand hopeloos. Bovendien had Job alle schijn tegen. Hij moest wel iets bijzonder slechts gedaan hebben om een dergelijk groot verlies te verwerken te krijgen. Eigenlijk restte hem niets dan maar een einde aan zijn leven te maken. Het irriteerde Jobs vrouw mateloos dat hij nog steeds geen overtogen woord over God of over zijn omstandigheden gezegd had.

Dat had toch geen enkele zin meer? Een grotere straf of tegenslag was niet denkbaar. De conclusie van Jobs vrouw zou hem fataal worden: “ Waarom blijf je zo onberispelijk? Vervloek God toch, en sterf! “ voegde zij haar man toe. Misschien wilde zij zelf ook maar het liefste sterven nu al haar kinderen omgekomen waren.

Maar Job zweeg. Zo bleef hij bij zijn eerdere uitspraken en hield vast aan zijn geloof, en aan zijn God! Uiterlijk was daar niets van te zien.

Onherkenbaar beschadigd door het verdriet en de vreselijke ziekte die hem getroffen had zat hij daar en krabde zich met een potscherf.

Zo vonden zijn drie vrienden hem. Elifaz uit Teman, Bildad uit Suach en Sofar uit Naäma  luidden hun namen. Toen zij de rampspoed die hun vriend getroffen had vernamen besloten ze Job op te zoeken. Onderweg kwamen ze elkaar tegen en vervolgden gezamenlijk hun reis om Job hun medeleven te tonen, en hem enigzinds te  troosten. Maar toen zij bij Jobs ruïne aankwamen en hun vriend onherkenbaar verminkt zagen zitten barstten zij in luid geweeklaag uit. Diepe rouw vulde hun harten. Naar Oosters gebruik scheurden ze hun kleren en wierpen stof over hun hoofd.

Geen woord van troost kwam er over hun lippen! Ze lieten zich naast Job op de grond vallen en bleven daar zeven dagen en zeven nachten zitten, zonder iets tegen hem te zeggen. Ze zagen hoe vreselijk hij leed. Hun stilzwijgende aanwezigheid is hoogstwaarschijnlijk een grotere troost gebleken dan de woorden die zij later zouden spreken. Duidelijk zien we in het verdere boek Job het falen van de menselijke wijsheid tegenover het lijden. Maar we zien méér. God verwijt Job niets, Hij was nog steeds dezelfde Vader die opnieuw tegen de satan zei: “ Heb je ook acht geslagen op Mijn dienaar Job? Zoals hij is er niemand op aarde. Hij is rechtschapen en onberispelijk, hij heeft ontzag voor God en mijdt het kwaad. Ja, hij is  nog even onberispelijk als altijd en jij hebt Mij ertoe aangezet om hem zonder oorzaak te gronde te richten. “ ( Job 2: 1 – 3 )

Duidelijk komt de boosaardigheid van de satan naar voren, zoals dat in de Bijbel zijn weerga niet kent. Straks zal de Heere desondanks lange tijd weigeren om antwoord te geven op Jobs vragen. In dit diepe lijden, en deze donkere Godverlatenheid  blijkt Job een voorbeeld van onze dierbare Heere Jezus Christus. Die aan het bittere en smadelijke kruishout van Golgotha uitgeroepen heeft: “ Mijn God, mijn God, waarom heeft U mij verlaten? “

Hebben dood en rouw het laatste woord gehad in het leven van Job? Gelukkig niet! God heeft Zijn mond geopend en Job op al zijn vragen geantwoord. De Heere heeft hem weer genezen en zijn bezit teruggegeven. Hij zegende zijn latere leven nog meer dan zijn eerdere bestaan.  Zo kreeg Job veertienduizend schapen en geiten, zesduizend kamelen, duizend span runderen en duizend ezelinnen. Opnieuw schonk God hem een gezin. Zijn dochters waren de mooiste vrouwen uit het land en Job gaf hen een even groot erfdeel als hun broers. Een bijzondere zegen in een tijd waarin vrouwen volgens het Israëlitisch recht alleen maar van hun vader erfden wanneer er geen jongen was geboren. ( Num. 27: 1 – 11 )

Na de grote catastrofe leefde Job nog honderdveertig jaar en zag zijn kinderen en kleinkinderen tot in het vierde geslacht opgroeien!  Daarna stierf hij, oud en verzadigd van het leven. Zoals later Christus, de Zoon van God alles prijsgaf voor het leven van Zijn kinderen, heeft Job alles prijs moeten geven. Beiden bleven echter op God de Vader vertrouwen. Beiden werden niet beschaamd, maar ontvingen eeuwige glorie en eer van de Vader. Job was maar een mensenkind, maar Christus is de Zoon van God. Om dit gelukkige feit heeft Hij met Zijn lijden voor onze zonden betaald. Daarom is er geen hel en verdoemenis meer voor ons, die in Zijn Naam geloven. Hoe diep enig aards lijden ons ook treffen kan, dood noch leven, engelen, machten noch krachten, heden noch toekomst, hoogte noch diepte of wat er ook maar in de schepping is, zal ons kunnen scheiden van de liefde van God die Hij ons gegeven heeft in Christus Jezus onze Heere.( Romeinen 8 : 39 )

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *