Abram

De roeping van Abraham

De Heer zei tegen Abraham: “ trek weg uit je land, verlaat je familie, verlaat ook je naaste verwanten, en ga naar het land dat Ik je zal wijzen. Ik zal je tot een groot volk maken. Ik zal je zegenen en aanzien geven. Een bron van zegen zul je zijn. Ik zal zegenen wie jou zegenen. Wie jou bespot zal Ik vervloeken. Alle volken op aarde zullen wensen zo gezegend te worden als jij. “ Abram ging uit Haran weg, zoals de Heere hem had opgedragen.” ( Genesis 12 : 1 – 3 )

Met deze woorden begint het verhaal van Abraham. Zijn naam is vermaard, zowel in het Oude als Nieuwe Testament. Hij werd geboren in een afgodisch land. Abrams vader heette Terah. Dat was een man die afgoden vereerde. ( Joz. 24 : 4 ) Zijn broer Nahor was de voorvader van de vrouwen van Izak en Jakob en zijn broer Haran de vader van Lot. Abraham was getrouwd met Saraï. De geschiedschrijvers zeggen dat zij waarschijnlijk een dochter van Haran was die Jiska genoemd werd. Abram zelf zei van haar dat ze de dochter was van zijn vader, maar niet van zijn moeder. ( Gen. 20 : 12 ) Saraï was tien jaar jonger dan Abram.

Abram trok een gouden draad door zowel het Oude als Nieuwe Testament.  Die gouden draad heet: “ gehoorzaamheid. “ Terwijl Adam en Eva ongehoorzaam waren en in opstand kwamen tegen Gods gebod, staat er van Abram steeds geschreven dat hij God gehoorzaamde.

Stefanus zou in zijn rede voor het Sanhedrin zeggen dat de God der heerlijkheid met zoveel kracht en macht aan Abram verscheen dat er in zijn hart geen enkele ruimte overbleef om aan het Goddelijk gezag van zijn  roeping te twijfelen. ( Hand. 7 : 2 – 4 )

Abram moest zijn land verlaten zodat God het plan dat Hij voor hem bedacht had ten uitvoer kon brengen. Het plan van JHWH wordt ons in enkele kernwerkwoorden uitgelegd: zegenen, maken, zijn, en vervloeken. We zullen deze woorden nog vaak tegenkomen in de Bijbel. Het motief sluit aan op eerdere verhalen uit Genesis en zal in de levensgeschiedenissen van Izak en Jakob terugkomen. ( Gen. 26 : 2 / 35 : 9 / 39 : 5 ) De Heere Zelf stond garant voor de uitvoering van het genadeverbond. Hij alleen wist hoe nodig dat was. Er was immers niemand meer goed op aarde? ( Gen. 8 : 21 ) Zelfs Abram zou ongehoorzaamheid aan God laten zien. ( Gen. 17 ; 23 / 21 : 14 / 22 : 3 ) 

De schitterende belofte aan Abram zou nog vaak herhaald worden door de Heere.  Eerst aan Abram, vervolgens aan Izak en Jakob en tenslotte aan Mozes. ( Gen. 12 : 7 / 15 : 5 – 21 / 17 : 4 – 8 / 18 : 18 – 19 / 22 : 17, 18 / 26 : 2 – 4 / 28 : 13 – 15 / 35 : 11 – 12 / 46 : 3 / Ex. 3 : 6 – 8 / 6 : 2 – 8 ) Het is bijzonder om te zien hoe de Heere Zich ingezet heeft om de uitvoering van het genadeverbond na te komen. Wat een trouw en liefde voor ons allemaal!

Abram stond aan het hoofd van een nomadenstam die over een grote veestapel beschikte. Zijn voorspoed zou na de zegen van God alleen maar groter worden. Het aantal van zijn kudden, vrouwen, kinderen, slaven en slavinnen zouden uitbreiden. De directe gehoorzaamheid van Abram die geworteld was in zijn geloof in God waren een lichtend voorbeeld voor iedereen. Dat was ook nodig om zijn mensen mee te trekken uit een leven dat aan de afgoden gewijd was.

Het is bijzonder bemoedigend om op te merken dat de Heere Zelf steeds opstond voor de verlossing van de mens. Wie is een God als Hij? Grootmachtig, Goddelijk en volmaakt in controle met de wereldgeschiedenis? Duivel, zonde, nog dood zouden ooit in staat blijken om Zijn plan te vernietigen.

Gods Woord aan Abram was zowel een belofte als een gebod. Het is opvallend dat de Heere Abram helemaal geen redenen vertelde waarom hij uitgekozen werd. Het enige dat ons duidelijk wordt is dat JHWH via deze man en zijn nakomelingen Zijn heilsplan uit zou voeren. Het heilsplan dat ten behoeve van de hele mensheid zou zijn. Een mensheid die er slecht aan toe was en schreeuwde om Gods hulp. Het plan van de torenbouw was mislukt. De mensen waren gedesillusioneerd weggetrokken om zich over de hele aarde te verspreiden. Abram zou de migrant zijn die door de Heere geroepen werd om een rol te spelen bij het ontstaan van het Godsvolk en het heil van de wereld.

Midden tussen alle heidense volken leerde Abram te vertrouwen op God ( Gen. 12 : 2, 3, 7 ) Hem gehoorzaam te zijn 9 ( vs 1 – 4 ) en Hem te aanbidden!  ( vs 7, 8 ) De Heere had grote plannen met hem! 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *